Plezier in winterwonderland

Winterwonderland Schuddebeurs

In tegenstelling tot mijn afkeer van winterse koude, zijn er vanzelfsprekend ook dagen waarop zelfs ik het heerlijk vind om buiten te zijn. Gisteren was zo’n dag. Een winterwonderland met liefst vier graden op de thermometer! Een mooi moment om ons eenvoudige buitenverblijfje te inspecteren: op lekkages, op takken op het dak, op onverlaten die zich via een raam een goedkoop hotelletje wilden toeëigenen. Alles is mogelijk, niets is vreemd, daar op de rand van de wereld. En ik wil me beslist geen grootgrondbezitter noemen, zoveel valt er echt niet te halen, maar o, wat hebben we al een groot aantal jaren plezier van ons houten huisje en wat zijn we er zuinig op!

PLezier in winterwonderland

Buiten heeft alles een wit laagje rijp. Daardoor is de wereld uitgeklapt tot een prentenboek en ik voel me vrijwel direct als Alice in Winterwonderland. Verbazingwekkende feeërieke schouwspelen onderweg. Tientallen zilverwitte reigers in de berm. Spiedende buizerds op houten paaltjes. Drukbezochte vijvertjes waarop kinderen sierlijke rondjes draaien.

Schuddebeurs G. en ik besluiten tot een stop bij het meest idyllische plekje van heel Zeeland: Schuddebeurs. Ofwel Schoddebozze zoals de echte Zeeuw zegt. Verscholen in de schaduw van het bedrijvige Zierikzee ontvouwt zich daar een oase van rust. Als het geldboompje in mijn tuin ooit vruchten gaat dragen, wil ik mijn beursje wel leegschudden om daar de rest van mijn leven te kunnen wonen. Behalve een Hostellerie met het gelijknamige opschrift zijn er geen winkels of andere faciliteiten. Wat resteert is een lang lint met voorname, grote huizen omringd door een bosrijk gebied.

Het grootste en belangrijkste buiten van Schuddebeurs is ongetwijfeld Mon Plaisir, gesticht in de achttiende eeuw door een burgemeester van Zierikzee. Het huidige witgepleisterde huis dateert uit de negentiende eeuw. Ook Mon Plaisir is in de Tweede Wereldoorlog ernstig beschadigd, omdat de Duitsers vlak voor de capitulatie een brandkast tot ontploffing brachten. Het huis is niet toegankelijk, maar het grootste deel van het park eromheen wel. Het is een pittoresk parkbos van zes hectare met vijvers. In het voorjaar zijn er zgn stinzenplanten te vinden en het hele jaar door geldt het als vogelparadijs. Het is er plezierig wandelen in de stilte van het buitengebied.

Mochten jullie het ook willen bezoeken, navigeer dan naar Donkereweg 72 te Noordgouwe (Schuddebeurs). Parkeren kan op het parkeerterreintje of in de berm. Als het heeft geregend, laarzen mee, want de bospaden hebben gelukkig hun natuurlijke habitat behouden.

Suikerspinnen en troostvoer

Suikerspinnen

Soms is het net een beetje kermis in mijn kop. Dan roetsjen vrolijke en ook vervelende gedachten als een rollercoaster tegen mijn schedeldak, van links naar rechts, van boven naar beneden. Dromen en idealen zwellen op als parmantig opgespoten suikerspinnen. Om vervolgens te moeten constateren dat ik er niets mee kan, omdat ze domweg veel te roze zijn. Te zoet ook.

Het gaat verder. In wanstaltig uitgevoerde botsautootjes knallen heden en verleden mijn brein binnen. Pardoes, zonder aankondiging denderen ze mijn zorgvuldig bewaakte gevoelsleven binnen. Poef! Midden in de roos! Over twee maandjes word ik 60. Precies tien jaar jonger dan de leeftijd waarop mijn vader overleed. Een merkwaardige gedachte: de wetenschap dat hij slechts tien jaar langer mocht leven dan het tijdstip waarop ik nu bijna ben aangekomen. Zal het mij ook zo vergaan?

Dat idee beangstigt me. Er staan nog teveel onaf gestreepte items op mijn bucketlist. Het is nog zo’n vreselijk lange lijst van nooit uitgeprobeerde recepten, ongelezen boeken, nooit bezochte bezienswaardigheden en uitgestelde ontmoetingen, dat ik bang ben dat ik nog minstens vijftig jaar moet leven om het allemaal mee te maken. Honderd en tien. Een mooie leeftijd. Maar niet voor een Nijssen weggelegd, vermoed ik.

En dan is er die duisternis … die ellendig dikke donkere deken die de wereld toedekt in deze maanden. Elk jaar weer. Nu gebeurt dat nog rond half zes, maar op het dieptepunt van de winter is het vaak al om half vier dat het licht wordt uitgeknipt. Ik háát het. ik wil licht. Luchtigheid. Zon. Uitzicht. De horizon kunnen zien.

Nee, wees niet bevreesd, lieve lezers, ik kan dan een beetje down overkomen, ik hoef echt niet afgevoerd te worden richting Paaz. Van nature ben ik bevoorrecht met een ijzersterke mentale conditie. Gelukkig maar. Dat is geen verdienste, dat is een gave waar je mee geboren wordt en waar ik me tijdens deze periode krampachtig aan vasthoud.

Kom, laat ik jullie niet langer vermoeien met mijn onnozel geneuzel. Gelukkig is er ook altijd nog het andere houvast. Ik vertrek maar eens richting keuken om te zorgen voor mijn dagelijkse portie troostvoer in deze barre tijden. Witlofsoep gaat het worden. En een megagrote Italiaanse bol besmeerd met een dikke laag pesto, daarop gebakken aubergineplakken die vervolgens lekker warmpjes ingestopt worden met ferme plakken buffelmozzarella. Geen ingewikkelde recepturen vandaag, want daar is het de dag niet voor.

(1,5 uur later)
Wisten jullie dat er zich, tijdens het verorberen van zoveel lekkers, opeens een groot fel licht openbaarde aan mij? Waarna ik me opnieuw voor één volle dag getroost voel. En morgen? Morgen streep ik weer een dag af van de veertig etmalen die ik nog te gaan heb, alvorens de zon weer eerder opkomt. In gedachten zie ik de lammetjes al dartelen in de wei en de krokusjes met opgeheven kopjes hun kleuren tonen aan een wereld die ontwaakt. Maar vóór het zover is, zullen er nog heel wat bordjes troostvoer hun weg vinden naar mijn binnenste.

Koek en Zopie

Koek en Zopie

Januari 1956. Achttien graden onder nul. Bloemen op de ramen. IJspegels aan de vensterbanken. Bevroren leidingen. Kruiken in bed. Koek en zopie. De kolenkachel die roodgloeiend staat te snorren. Want het was Koud!  Alles en iedereen ijs- en ijskoud! In die 12e januarinacht moest ik zo nodig uit mijn ei tevoorschijn komen. Het leven zou mooi zijn, hadden ze me daar binnen beloofd, maar het voelde bepaald niet als een warm bad waar ik in terecht kwam.

Februari 2012. De geschiedenis herhaalt zich. IJs, sneeuw, extreme koude. Kinderen rollebollen met glanzende ogen en rode wangen door het witte vloerkleed. Oubollige sleetjes worden tevoorschijn gehaald. Op het talud in het park naast mijn huis, snerpen ze met hun sleetjes oerendhard naar beneden. Ik zie volwassenen jongens en meisjes zich kilometerslang door de bijtende koude heen worstelen. Alleen maar om te kunnen zegevieren bij de finish.

Druipneuzen

Thermo-ondergoed, wollen wanten, oorwarmers en Uggs. Wat hebben we een lol! IJspret heet dat. Het is prachtig. De begrijpende lezer snapt het al: ik vind het prachtig, maar dan alleen om te zien  Voor mij geen sierlijke rondjes draaien op het ijs, geen sneeuwballen gooien en al helemaal geen creatief gefröbel met sneeuw dat alleen maar resulteert in zielige misvormde poppen. Ammehoela, blauwe tenen en een bevroren druipneus, dat krijg je ervan.

Jawel, u heeft helemaal gelijk, ik moet mijn knorrigheid zien te beheersen. Het is mij intussen ook duidelijk aan het worden: de weersvoorspellingen maken van mij beslist een ander mens dan ik gewoonlijk placht te zijn. Samen met het kwik zakt ook mijn humeur tot ver onder het vriespunt.

Ik wil zomer. Zon. En warmte, héél véél warmte. Helaas heb ik het niet in de hand en moet ik lijdzaam ondergaan wat Piet Paulusma mij brengt. Om de verschrikkingen van vandaag te kunnen ontberen graaf  ik mij in en laaf ik mij gestaag aan het aloude Koek en Zopie. Gemberthee, glühwein, warme chocomel, erwtensoep, that kind of stuff. Zolang de provisiekast nog geen lege planken vertoont, houd ik me flink. Voorzichtigheidshalve heb ik wel nageplozen of Appie’s bezorgservice ook bij mij in de straat komt. Niet! Mochten jullie dus langere tijd geen berichten meer ontvangen uit Huize Eetplezier, willen jullie dan de volgende mensen…….

Sorry, sorry. Ik kan het ook niet helpen. Het ligt aan het weer.

Decembermiddag

Vier uur. De wereld trekt wit weg.
Roerloos leggen rimpels de doorgroefde aarde
bloot. Schemering schrijft roze strepen in de lucht.

Verdwaalde ganzen snateren door ijle stilte
heen. Ik zucht en voel de nacht die aan komt
snellen. Het is koud, zo ademwolkjes koud opeens.

© Nell Nijssen (12-02-2008)