Suikerspinnen en troostvoer

Suikerspinnen

Soms is het net een beetje kermis in mijn kop. Dan roetsjen vrolijke en ook vervelende gedachten als een rollercoaster tegen mijn schedeldak, van links naar rechts, van boven naar beneden. Dromen en idealen zwellen op als parmantig opgespoten suikerspinnen. Om vervolgens te moeten constateren dat ik er niets mee kan, omdat ze domweg veel te roze zijn. Te zoet ook.

Het gaat verder. In wanstaltig uitgevoerde botsautootjes knallen heden en verleden mijn brein binnen. Pardoes, zonder aankondiging denderen ze mijn zorgvuldig bewaakte gevoelsleven binnen. Poef! Midden in de roos! Over twee maandjes word ik 60. Precies tien jaar jonger dan de leeftijd waarop mijn vader overleed. Een merkwaardige gedachte: de wetenschap dat hij slechts tien jaar langer mocht leven dan het tijdstip waarop ik nu bijna ben aangekomen. Zal het mij ook zo vergaan?

Dat idee beangstigt me. Er staan nog teveel onaf gestreepte items op mijn bucketlist. Het is nog zo’n vreselijk lange lijst van nooit uitgeprobeerde recepten, ongelezen boeken, nooit bezochte bezienswaardigheden en uitgestelde ontmoetingen, dat ik bang ben dat ik nog minstens vijftig jaar moet leven om het allemaal mee te maken. Honderd en tien. Een mooie leeftijd. Maar niet voor een Nijssen weggelegd, vermoed ik.

En dan is er die duisternis … die ellendig dikke donkere deken die de wereld toedekt in deze maanden. Elk jaar weer. Nu gebeurt dat nog rond half zes, maar op het dieptepunt van de winter is het vaak al om half vier dat het licht wordt uitgeknipt. Ik háát het. ik wil licht. Luchtigheid. Zon. Uitzicht. De horizon kunnen zien.

Nee, wees niet bevreesd, lieve lezers, ik kan dan een beetje down overkomen, ik hoef echt niet afgevoerd te worden richting Paaz. Van nature ben ik bevoorrecht met een ijzersterke mentale conditie. Gelukkig maar. Dat is geen verdienste, dat is een gave waar je mee geboren wordt en waar ik me tijdens deze periode krampachtig aan vasthoud.

Kom, laat ik jullie niet langer vermoeien met mijn onnozel geneuzel. Gelukkig is er ook altijd nog het andere houvast. Ik vertrek maar eens richting keuken om te zorgen voor mijn dagelijkse portie troostvoer in deze barre tijden. Witlofsoep gaat het worden. En een megagrote Italiaanse bol besmeerd met een dikke laag pesto, daarop gebakken aubergineplakken die vervolgens lekker warmpjes ingestopt worden met ferme plakken buffelmozzarella. Geen ingewikkelde recepturen vandaag, want daar is het de dag niet voor.

(1,5 uur later)
Wisten jullie dat er zich, tijdens het verorberen van zoveel lekkers, opeens een groot fel licht openbaarde aan mij? Waarna ik me opnieuw voor één volle dag getroost voel. En morgen? Morgen streep ik weer een dag af van de veertig etmalen die ik nog te gaan heb, alvorens de zon weer eerder opkomt. In gedachten zie ik de lammetjes al dartelen in de wei en de krokusjes met opgeheven kopjes hun kleuren tonen aan een wereld die ontwaakt. Maar vóór het zover is, zullen er nog heel wat bordjes troostvoer hun weg vinden naar mijn binnenste.