Bretonse koekjes met gezouten roomboter

Bretonse koekjes met gezouten roomboter
Denk ik aan Bretagne, dan denk ik tevens aan Nicolas. Een heuse Franse monsieur,  zoon van een neuro-chirurg en zo Frans als maar zijn kon. Hij wist ons voor altijd te herinneren wat het spreekwoord ‘met de Franse slag” inhield. G. en ik waren bij hem in huis en wij keken toe hoe hij een soort van koek maakte en die vervolgens in zijn smoezelige oven schoof. So far so good, zou je denken, ware het niet dat ook hier het spreekwoord weer om de hoek kwam kijken. Poetsen en opruimen behoorden nu eenmaal niet tot de meest favoriete bezigheden van Nicolas. Zijn keukentje leek verdacht veel op die van Malle Pietje.

Wij hadden , na een verblijf van vier dagen bij hem in huis, inmiddels allang gezien dat de vloertegeltjes in de gastenbadkamer onder de kenmerkende dofgrijze laag nog andere kleuren  liet zien: flamingoroze en azuurblauw. Bij elke voetstap die we achterlieten werd de vloer sprankelender van kleur. Natuurlijk, als alleenstaande man miste Nicolas de kwieke armslag van een ordentelijke partner in huis, wij begrepen dat best, maar ook van een “aide domestique” was hij niet gediend, te oordelen aan de enorme stofwolken die onder de bedden vandaan wervelden en het plakkerige bestek dat we omzichtig probeerden te hanteren. De koek hebben we dan ook met gepaste beleefdheid tot ons genomen.
“Bretonse koekjes met gezouten roomboter” verder lezen

Koningsmaal: de eerste asperges

Allereerste asperges

De eerste asperges van het seizoen eten heeft een louterende werking. Op mij dan toch. Herinneringen aan mijn thuis, middenin het West-Brabantse land, waar het leven goed is en de aspergevelden van de Brabantse Wal het landschap sieren. Ik ben ermee opgegroeid, met die rechte, witte jongens en hun delicate smaak. Ze laten me met een glimlach terugdenken aan papa die, wanneer ik weer eens thuiskwam in het voorjaar, direct een dampende schaal van het witte goud op tafel zette. Met royale scheppen roomboter, want als er iets is waar een asperge een verbintenis mee heeft, dan is het wel met dit goudeerlijke zuivelproduct.

Louterend ook, omdat papa mij het asperges schillen met eindeloos veel geduld bijbracht. Bovenaan dun beginnen en dan langzaamaan naar onderen toe steeds wat dikker. Het gaat hier om het beroemde fingerspitzengefuhl. Niks dunschiller, een scherp aardappelschilmesje is het juiste gereedschap. Alleen daarmee kun je “aanvoelen” hoe dik je schil is. Teveel weggooien is zonde, te weinig is zo mogelijk nog vele malen erger. Wie eenmaal zo’n taaie prop aspergeschil in zijn mond heeft gehad, hoeft van z’n-leven-lang geen asperges meer. Ongelooflijk smerig!

In de loop der jaren ben ik asperges schillen welhaast een therapeutische bezigheid gaan vinden. Je kunt er domweg geen haast bij gebruiken. Voor 2 kilo trek ik dan ook zo’n 45 à 60 minuten uit. Het moet goed gebeuren, zonder één klein schilletje achter te laten. Prettig relaxed wegdromen tijdens het schillen; ik doe het bijzonder graag.

Al zullen de chefs daar anders over denken, bij asperges horen geen toeters en bellen. Erbij een goeie lik gezouten roomboter, kakelverse eitjes, eventueel een aardappeltje of lekkere ham, en je hebt het ware Koningsmaal gecreëerd.
Geen onnozel gedoe ook met (te) korte kooktijden; voor mij moet een asperge gaar zijn. Hij moet “slieren”, zoals we in Brabant zeggen. Als je er een met een vork uit de pan wilt tillen moet hij doorbuigen. Oké, niet dubbelklappen, maar wel lichtjes buigen.

Het kookwater nooit weggooien! Daar kun je de dag erna een romig aspergesoepje van maken. Het is dus eigenlijk dubbelop genieten van deze bijzondere groente. En laten we eerlijk zijn: dat mag ook wel voor zo’n bijzonder (goud)prijskaartje.