Kanniewaarzijn

Ovenschotel met orzo en aubergine, afgedekt met tomaat

Heb ik weer, gevalletje kanniewaarzijn. What happens?

Ik vertelde jullie al eerder over het oog. Míjn oog, wel te verstaan. Altijd dwars, altijd moeilijk doen. Een gebed zonder end. Tot een academisch opgeleide mevrouw in een witte jas in het midden van het land er op de valreep nog één netjes gepreveld Amen aan weet te breien.  Ze kijkt er akelig triomfantelijk bij. En ik durf haar, volledig in tegenstelling tot mijn eigengereide attitude, niet tegen te spreken, laat staan erover door te vragen. Ondersteboven kan ik lezen dat ze Tacrolimus opschrijft en daaronder 40x. Een geruststellende overdaad. “U dient er bedacht op te zijn dat niet iedere apotheek het kan bereiden”, spreekt de mevrouw, iets minder opgetogen nu.

Gelukkig zijn er in het medische labyrint aldaar, o godallemachtig, wat moet ik moeite doen om niet te verdwalen, een groot aantal gifmengers aanwezig die zich achter hagelwitte balies hebben opgesteld. Mijn volgnummertje is 78. De rode letters op het display (nummerbord is niet de juiste naam, maar hoe heet zo’n afzichtelijk ding dan in vredesnaam wel) wijzen onverbiddelijk 53 aan. Tien lange minuten later staat er 55. Het lijkt alsof ik in een slechte film terecht gekomen ben. Met een onoplosbare storing. Enfin, eerst maar koffie.

Aan het eind van de middag heb ik de buit binnen. Twee lieve, kleine tubetjes van 3 ml. Even voor degenen met een armoedig voorstellingsvermogen: 3 ml is echt ongelooflijk klein. Een tubetje Blistex. In de koelkast bewaren. Houdbaar tot 11 oktober 2015. Dat was toen. Toen is inmiddels vier weken geleden.

Dus ga ik vandaag vrolijk op weg naar mijn plaatselijke medicijnman om nieuwe voorraad in te slaan. Want werken doet dat smeerseltje wel! Holy mozes, mijn linkeroog ondergaat een complete wedergeboorte. Goed spul. De apotheker om de hoek heeft altijd al een meelevende oogopslag, maar kijkt vandaag wel erg droefgeestig als ik hem het recept overhandig. “O, dit kan ik niet maken”, zegt hij. Het is een magistrale bereiding. Hij verdwijnt met gezwinde spoed naar achter. Kijk, dat is nu het voordeel van Google en even moeten wachten: als de man weer aanspreekbaar is, weet ik inmiddels dat “magistrale bereiding” zoiets betekent als hogere hocus pocus in de farmacie. Iets met grondstoffen en ouderwets handwerk.

“U moet allereerst uw zorgverzekeraar bellen om te vragen of het wel vergoed wordt”, oreert mijn eigenste gifmenger. “Het is vrij duur spul”. Hmmm, ik denk er het mijne van. Zeker bang dat hij niet genoeg winst kan maken op een met de hand bereid geneesmiddel. Want ja, met uitstervende vakidioten kun je natuurlijk geen woekercontracten opstellen en geen stiekeme dealtjes sluiten, ergens tussen de tee en hole 18. Er begint ondertussen een ware lichtshow in mijn hoofd aan- en uit te floepen. Ik snappum. Denk ik.

Kanniewaarzijn

Eenmaal thuis bel ik CZ. Vraag 1: wordt het middel vergoed? Vraag 2: wat is de prijs per tubetje van 3 ml. Op mijn eerste vraag krijg ik een helder antwoord. Ja. Mooi, dat is geregeld. Vraag 2 ligt iets ingewikkelder. De helpdeskdame weet mij, na drie keer vermaakt te zijn door een oervervelend melodietje, te vertellen dat de prijs afhankelijk is van de op dat moment geldende prijs op de grondstoffenmarkt. O? En wat is dan de actuele prijs? Op dit moment? Dat laatste voeg ik er volledigheidshalve maar aan toe, bang te moeten ontdekken dat zelfs het woord actueel teveel voor haar is. Na een aantal minuten komt ze met een koel uitgesproken “€ 200,00, mevrouw”. Ik rol bijkans uit mijn stoel van schrik en reken snel: dat is in mijn geval € 400,00 per maand. Alsof je een geneeskundige zandbak leeg gooit. “ik vergeet nog te zeggen dat het om een experimenteel middel gaat”, roept de dame ver weg vanuit de telefoonhoorn.

Met flink de pest in, begin ik aan de avondmaaltijd. Zoveel geld om slechts een rood oog te voorkomen. Van deze centen kunnen hele volksstammen ingeënt worden tegen de meest kwalijke ziekten. Er kan een half ziekenhuis van ingericht worden in een ontwikkelingsland. De eigen bijdrage kan ervoor worden kwijtgescholden bij een gezin dat het niet breed heeft. Er kan ….

Zo sudder ik de avond in. Verontwaardigd, somber en bezwaard. Niet goed wetend wat ik hiermee aan moet. Ik snijd wortelen en bleekselderij. Aubergine, ui en tomaten. Rasp parmezaanse kaas. Neerslachtig kijk ik naar het recept dat ik wil maken. O ja, de orzo gaat ongekookt in de schotel. Help, dat gaat niet goed komen op een dag als vandaag. Het is me nog nooit gelukt om niet voorgekookte pastasoorten lekker zacht te krijgen in een ovenschotel, al gebruik ik tien vrachtwagens saus. Maar kijk, dat blijkt dan weer mee te vallen. Als ik na een veertigtal minuten de schaal uit de oven haal en er met een vork in prik, voelt het heerlijk romig. En zo smaakt het ook. Fris door de citroen. Gezond door de grote hoeveelheid groenten. Voedzaam vanwege de pasta.
Met dank aan Caroline en vanzelfsprekend aan de maestro himself: Ottolenghi.

En nu verwachten jullie natuurlijk de moraal van dit verhaal. Eind goed, al goed of zoiets. Nee, dat is het niet en dat wordt het ook niet. Telkens wanneer ik mijn oog weer een likje zalf geef, bedenk ik me hoeveel dat streepje wel niet kost. En wat er voor in de plaats verricht kan worden. Het is allemaal niet eerlijk geregeld in de wereld. Het doet mijn solidariteitsgevoel geen deugd. Ik vind dergelijke belachelijke prijzen ook ethisch niet verantwoord binnen de gezondheidszorg. We hebben het hier niet over levensbedreigende situaties. Aan de orde is een vervelend oog dat soms rood, soms pijnlijk is, maar waar ik niet aan dood ga. Vertel eens, hoe zou jullie reactie zijn?

Ovenschotel met orzo en aubergine, afgedekt met tomaat

Oogje in het zeil

Oogje in het zeil

Sommige mensen bewegen zich al fluitend soepel door het leven. Ik ook. Met dit verschil dat mijn hoofd eveneens diverse vrolijke wijsjes produceert, maar alle overige lichaamsdelen zich daar vervolgens jammerend, kermend en zuchtend bij aansluiten. Dat is niet iets om dramatisch over te doen. Dat is een gegeven waar heel goed mee te leven valt. Zolang alle zintuiglijke functies doen wat ze moeten doen, voel ik mij – daarbinnen in mijn hoofd – tamelijk gelukkig.

Heel hinderlijk is echter dat ik al meer dan vijf jaar een onwillig linkeroog heb. Het zicht is gelukkig nog prima, ook al slingeren er overal leesbrilletjes met sterkte plus twee. Intussen heb ik vastgesteld dat dat volledig acceptabel is op mijn leeftijd. Vervelender is dat het oog soms stroef in zijn veilige bedding beweegt. Dat is meestal een teken dat na een dag of wat ontstekingscellen aan hun opmars beginnen en binnen no time is dan mijn dierbare kijker getransformeerd tot een rood, pijnlijk bolletje.

In al die jaren heeft het verschijnsel diverse kwalificaties meegekregen: syndroom van Sjögren, conjunctivitis, blepharitis. Al die tijd was er maar één oplossing: anti-biotica druppelen, in combinatie met vrachtladingen kunsttranen. De top van de firma Bausch & Lomb rijdt intussen in nóg sportievere BMW’s dan voorheen, boeken vakanties naar nóg exotischer oorden en zien hun beurzen dikker en dikker worden. En dat allemaal dankzij mij.

Zelfvoldane  types, dat zijn het, die zelfverrijkers aan de top en ik kan me er geen mogelijkheid in vinden. Ze kampen kennelijk niet vaak met lichamelijke ongemakken, althans ik mag aannemen dat dollartekens in je ogen niet pijnlijk zijn, anders kenden zij het leven wel andere waarden toe. Ho even, vrouwtje Eetplezier. Niet afdwalen. Bij de les blijven. De wereld veranderen is een utopie.

We schrijven eind februari 2015 als er zich een nieuw fenomeen aandient. In eerste instantie laat het zich aanzien als rordelgoos (met vrolijker varianten worden ziektebeelden over het algemeen draaglijker). Zes weken later denkt de dermatoloog daar anders over, als ik hem een foto laat zien van mijn rode appelwangetjes, waardoor ik er bij tijd en wijle wel er-rug gezond begin te kleuren. Rosacea, kraait hij opgetogen. Geen twijfel mogelijk. Mooi. Ik voeg het toe aan mijn lijst van aandoeningen. Ik twijfel of ik hem de problematiek van het linkeroog nog zal voorleggen, tot ik in de hoek van de spreekkamer een paar splinternieuwe stoute schoenen zie staan.

Mijn tijd is eigenlijk al verstreken zie ik, na een vluchtige blik op de dokter, die over zijn toetsenbord gebogen zit te tikken, alsof hij aan de kampioenschappen sneltypen deelneemt. Ja, er is een duidelijk verband tussen rosacea en oogproblemen, hoor ik hem prevelen. Vijftig procent van de patiënten heeft daar last van. Maar dat moet u even bij de oogarts navragen.

Navragen? Man, ik heb de afgelopen jaren minstens twintig bezoekjes gebracht aan diverse oogartsen. Stuk voor stuk deden zij aan eigen onderzoeken en ieder voor zich had zijn eigen, geheel op persoonlijke gronden stoelend oordeel over mijn linkeroog. Samenwerking of gezamenlijk overleg is niet des medici. Het is een collectief mankement dat ze allen, ik herhaal: allen, ten toon weten te spreiden. Liever bouwen ze gestaag verder aan hun ivoren bouwwerk, dat, als het af is, verdacht veel weg heeft van een onbenaderbare toren. En ook al zijn er steriele lieden die echt enorm veel kennis in huis hebben binnen hun specialisme; te vaak zijn ook zij volslagen mislukt als normaal functionerend mens. Zonder invoelend vermogen. Zonder comunicatieve vaardigheden. Ik dwaal weeer af.

Deze oogarts is nieuw. De ouwe meute is vervangen door enthousiaste jongelingen, waarvan zij er één is. Ze oogt kittig en loopt met gezwinde pas. Dat gegeven was me al eerder opgevallen: eenmaal gekleed in een witte jas, stralen deze gezondheidverzorgers een misplaatst soort onsterfelijkheid uit. Altijd kwiek. Altijd tomeloos energiek. Enfin, daar kunnen zij natuurlijk ook niets aan doen. Moeten ze maar meer vet en suiker eten. En minder bewegen.

Nadat ik mijn verhaal in het kort verteld heb, bladert de nieuwe, mooie dame uitvoerig door mijn inmiddels duimendikke dossier, perst haar lippen in een clowneske plooi, kijkt me doordringend aan en zucht daarna luid en duidelijk. Dan wordt het stil. Ik wacht op haar vermeende expertise in deze materie. Ik denk dat ik u een anti-viraal middel ga geven, zegt mijn nieuwe dokter enigszins twijfelend. En toch ook de anti-biotica erbij, besluit ze ferm.

Maar, begin ik vastbesloten niet met alles genoegen te nemen, dan komen we toch nooit te weten welk middel er geholpen heeft? Als het al een oplossing zou bieden. Daar had ze zelf nog niet aan gedacht, te oordelen aan de stand van haar neus. Misschien niet, antwoordt ze. Weet je wat, ik ga een  corticosteroïd geven. Daar kan ik me wel in vinden. Het is in ieder geval eens wat anders dan die vervelende ab, waarnaar mijn rancuneuze bacteriekolonie inmiddels een lange neus maakt.

Tot ik thuis ben. En ik de bijsluiter lees en herlees, er lustig op los google en verdrietig moet vaststellen dat dit goedje vele malen heftiger werkt dan zijn ab-vrindjes. Vaak voorkomende bijwerking: glaucoom en staar. Beide onomkeerbare processen. Mijn conclusie staat vast. Ik weet wat ik heb, ik weet niet wat me te wachten staat als ik aan dit gemene flesje begin. Laat me maar zien waar mijn scheepje strandt.

Dat gebeurt al snel na deze gedachte. Mijn rebelse oog protesteert zo mogelijk nog harder, nu ik mijn bootje dwars op de wind laat dobberen. Het prikt, het brandt, het traant, alsof alle staafjes, kegeltjes, zenuw- en epitheelcellen zich verenigd hebben in een revolutionaire opstand. Zwaar weer aan de horizon! En ik weet niets anders te verzinnen dan opnieuw koers te zetten richting oogarts.

Aldaar aangekomen meen ik een meewarige blik in haar eigen helder-stralende ogen te bespeuren. Ze snapt het, zegt ze. En: wat een vervelende toestand toch. Opnieuw perst ze haar lippen op elkaar. Om te besluiten met een opmerking die ik tot op dat moment nog geen enkele medicus heb uit horen spreken: ik weet het niet. Ik voel me gehoord, zoals ik voorheen nog nooit gehoord ben! Wat een openbaring. We keuvelen gezellig verder hoe we verder gaan. Zij zet haar bevindingen op papier, ik ga op zoek naar een collega, die bekend in met de relatie oogproblemen en auto-immuunziekten.

Er is nog niets verbeterd aan de mistroostige habitat van mijn linkeroog. Maar mijn wankele vertrouwen in de vaandeldragers van onze gezondsheidszorg heeft zich inmiddels, ingegeven door het empatische, meedenkende gedrag van mijn nieuwe jeugdige oogdokter, wel in belangrijke mate weten te herstellen. Daar ben ik blij om. Misschien zelfs nog wel blijer dan met een geneesmiddel. Maar zoals het een onvervalste criticus als ik betaamt, blijf ik een scherp oogje in het zeil houden. To be continued ….