Nasi Goreng

Nasi goreng

Eén of twee keer per jaar, word ik plotseling overvallen door een enorme trek in nasi goreng. Je weet wel: opgebakken rijst met groenten en vlees. Eventueel aangevuld met kroepoek, wat atjar, sambal, een gebakken eitje en een koel glas bier.

Of het komt door de flinter pseudo-koloniale opvoeding van wijlen mijn lieve pap (lees hier wat ik er eerder over schreef) of dat het een basale behoefte is aan flink wat pittigheid, nu de opdringende winterkou zich laat gelden, ik weet het niet. Feit blijft dat, wanneer ik iets in mijn kop heb, het niet in mijn staart zit. Of zoiets.

Reeds tijdens het koken van de rijst, komen de dilemma’s. Wel of geen vlees blijft een moeilijk item in huize Eetplezier. Werden er vroeger nog vrolijk dikke schouderkarbonades in brokken gesneden, om deze vervolgens 24 uur te laten marineren in een ketjap-kruidenmengsel, nu wordt er al zuinigjes gekeken bij het voorstel er in ieder geval twee dunne speklapjes in te mogen verwerken. Goed, goed, ik zal er echt een minimale hoeveelheid in doen. En ja, ja, ik vergeet echt de selderij niet. Vreemde gewoonte, die selderij in onze nasi …..

Nasi goreng

Ingrediënten:
zonnebloemolie
1 à 2 rode pepers, in ragfijne reepjes
2 uien, gesneden
2 tenen knoflook, fijngehakt
1 grote prei, in ringen
halve witte kool, in dunne reepjes
2 wortelen, in kleine blokjes
bos selderij, fijngehakt
neutrale ketjap
sambal (er zijn voor wie het nooit heet genoeg is)
gemberpoeder
korianderpoeder
zout

Bereidingswijze:
Begin met het koken van de rijst eerder op de dag. Hoe kouder de rijst, hoe beter deze later op te bakken is. En met rijst bedoel ik vanzelfsprekend niet die idiote snelkookvarianten, maar gewone, traditionele witte rijst. Zelf gebruik ik bijna altijd basmati. Fijne, geurige rijst.

Wat het vlees betreft: doe wat je hart je ingeeft. Speklapjes, schouderkarbonades, varkenslapjes, het kan allemaal, als je er maar bescheiden blokjes van snijdt en vooral niet vergeet dit een halve dag in een marinade te zetten van olie, ketjap, knoflook, bruine suiker, gemberpoeder, sambal, citroensap, zout. Als je vlees gebruikt, schep dit dan uit de marinade en bak het zacht aan in een ruime wok. Olie toevoegen zal niet nodig zijn. Als het bruin en gaar is, haal het dan uit de pan.

Vegetarische versie

Kies je voor een vegetarische versie, dan begin je met een fikse eetlepel olie in de wok te verhitten.
Fruit de uien en pepers lichtbruin.
Voeg nu de knoflook, gember- en korianderpoeder toe. Pas op: zachtjes bakken, anders verbrandt alles.
Nu mag het vuur hoger en voeg je de wortelen en witte kool toe. Bak alles, telkens omscheppend, zo’n 6 à 8 minuten.
Daarna de prei toevoegen.

Als alle groenten beetgaar zijn, een flinke scheut ketjap toevoegen, eventueel aangevuld met nog wat sambal.
(Heb je vlees gebakken, dan kun je dit nu toevoegen).

Schep voor schep komt er nu de koude rijst bij. Blijf omscheppen. De bedoeling is dat de rijst echt bakt.
Voeg zoveel ketjap toe als je zelf lekker vindt.
Als laatste de selderij erdoor mengen en nogmaals stevig blijven omscheppen.
Proef nu. Voeg eventueel zou toe.

Bak supersnel een eitje. Ruk de zak kroepoek open. Vul de glazen met koel bier of water en ga snel aan tafel. Selamat makan!

De rijsttafel van mijn vader

Rijsttafel

Weet je nog, pap, dat je altijd zo graag praatte en zo veel moest lachen? Ik vermoed nu dat je daarmee de wereld een beetje mooier wilde kleuren. Want laten we eerlijk zijn: het echte leven had best vaak verrassingen voor ons in petto, waar ik met de beste wil van de wereld de lol niet van in kon zien. Hoe dan ook, jij lachte en smeerde royaal verzachtende woorden op de zere plekken. En gelukkig bleef je voorkeur voor geruststellende overvloed niet beperkt tot woorden alleen. Want ook voedsel kon er nooit genoeg kon zijn. Eten was troost.

Aangezien jij zelf opgeleid was tot kok/banketbakker, was er altijd meer dan voldoende te smikkelen. Zelfs mijn vroegste kinderjaren, de tijd dat de voddenboer nog door de straten liep en kauwgomballen en Koetjesrepen een delicatesse waren, herinner ik me vooral door een kaleidoscoop aan smakelijke hoogtepunten. Fraai gedecoreerde huzarensalades, huisgemaakte vleeskroketjes, gestoofde paling, boterig mokkagebak, jouw rijsttafel, noem maar op. Luilekkerland in het kwadraat.

En weet je nog, pap, dat jij, ver vóór ik het daglicht zag, één van de vele mannen was die in de periode van 1946 t/m 1949 richting Ned. Indië gestuurd werden? Ja, dat weet je nog. Heel goed, denk ik zelfs, want het waren gouden tijden voor je. Bleek achteraf. Onder de naam 7 december-divisie werd een heel bataljon soldaten op het troepenschip Groote Beer gezet en richting Priok West-Java gestuurd. Als  verlegen jongeman zag jij, na een boottocht van ruim 30 dagen, voor het eerst de Echte Wereld achter de dorpse horizon. Een wereld vol gevechten, slangen, malaria, en stoere- mannenpraat.  Jij hoefde – als geboren kakkebroek – gelukkig niet te vechten, maar mocht dat hele bataljon van eten voorzien. Koken voor 250 hongerige jonge mannen in een vochtig-warm klimaat, is geen kattepis. Maar je genoot ervan, want zonder jou stond heel het radarwerk stil. Voor het eerst in je leven had je een status.


Weet je nog hoeveel keer je me verteld hebt over je koelies? Dat zij voor jou met balen rijst sjouwden en halve runderkarkassen op hun schouders meezeulden? Twintig kippen slachtten omdat je ajam pedis wilde maken voor de jongens? Dat je voor ’t eerst kennismaakte met verse lomboks, ananassen, kokosnoten en het afschuwelijk ruikende goedje trassi? En dat je op een dag per ongeluk de fles olie verwisselde door lysol? De jongens kwaad en jij tot 11 uur ’s avonds een nieuwe maaltijd aan het bereiden was?

De rijsttafel van mijn vader

Ik herinner me nog dat ik mijn eerste bordje nasi voorgezet kreeg. Niet te scherp, met veel groenten en zachtzure atjar van komkommer. En dat je me liet proeven van pure kokosmelk. Hoe ik toekeek terwijl jij een heuse rijsttafel bereidde en diagonale lijnen in de ananas sneed om zo alle pitjes eruit te verwijderen. Me waarschuwde voor de lomboks, niet aan zitten met de kleine vingertjes en zeker niet in je ogen wrijven!

Je liefde voor eten, liefst met een zekere overvloed, is altijd gebleven. Wat zou ik graag nog eens voor je koken om je daarna, net zoals jij altijd deed als je voor ons had gekookt, aan tafel te kunnen roepen met de woorden Makan! En dat je mij dan zou bedanken voor al dat lekkers, door  met gevouwen handen en gebogen hoofd “ terima kassie banjak” te prevelen. De woorden, de beelden, het eten, je hebt ze meegebracht en aan me doorgegeven.

Dà-àg lieve pa, ik zwaai maar weer eens naar je. Naar je plekje waar er altijd gelachen wordt. En overvloedig gegeten. Met gouden lepeltjes. Het is je zo gegund, maar ik mis je soms zo vreselijk.