De rijsttafel van mijn vader

Rijsttafel

Weet je nog, pap, dat je altijd zo graag praatte en zo veel moest lachen? Ik vermoed nu dat je daarmee de wereld een beetje mooier wilde kleuren. Want laten we eerlijk zijn: het echte leven had best vaak verrassingen voor ons in petto, waar ik met de beste wil van de wereld de lol niet van in kon zien. Hoe dan ook, jij lachte en smeerde royaal verzachtende woorden op de zere plekken. En gelukkig bleef je voorkeur voor geruststellende overvloed niet beperkt tot woorden alleen. Want ook voedsel kon er nooit genoeg kon zijn. Eten was troost.

Aangezien jij zelf opgeleid was tot kok/banketbakker, was er altijd meer dan voldoende te smikkelen. Zelfs mijn vroegste kinderjaren, de tijd dat de voddenboer nog door de straten liep en kauwgomballen en Koetjesrepen een delicatesse waren, herinner ik me vooral door een kaleidoscoop aan smakelijke hoogtepunten. Fraai gedecoreerde huzarensalades, huisgemaakte vleeskroketjes, gestoofde paling, boterig mokkagebak, jouw rijsttafel, noem maar op. Luilekkerland in het kwadraat.

En weet je nog, pap, dat jij, ver vóór ik het daglicht zag, één van de vele mannen was die in de periode van 1946 t/m 1949 richting Ned. Indië gestuurd werden? Ja, dat weet je nog. Heel goed, denk ik zelfs, want het waren gouden tijden voor je. Bleek achteraf. Onder de naam 7 december-divisie werd een heel bataljon soldaten op het troepenschip Groote Beer gezet en richting Priok West-Java gestuurd. Als  verlegen jongeman zag jij, na een boottocht van ruim 30 dagen, voor het eerst de Echte Wereld achter de dorpse horizon. Een wereld vol gevechten, slangen, malaria, en stoere- mannenpraat.  Jij hoefde – als geboren kakkebroek – gelukkig niet te vechten, maar mocht dat hele bataljon van eten voorzien. Koken voor 250 hongerige jonge mannen in een vochtig-warm klimaat, is geen kattepis. Maar je genoot ervan, want zonder jou stond heel het radarwerk stil. Voor het eerst in je leven had je een status.


Weet je nog hoeveel keer je me verteld hebt over je koelies? Dat zij voor jou met balen rijst sjouwden en halve runderkarkassen op hun schouders meezeulden? Twintig kippen slachtten omdat je ajam pedis wilde maken voor de jongens? Dat je voor ’t eerst kennismaakte met verse lomboks, ananassen, kokosnoten en het afschuwelijk ruikende goedje trassi? En dat je op een dag per ongeluk de fles olie verwisselde door lysol? De jongens kwaad en jij tot 11 uur ’s avonds een nieuwe maaltijd aan het bereiden was?

De rijsttafel van mijn vader

Ik herinner me nog dat ik mijn eerste bordje nasi voorgezet kreeg. Niet te scherp, met veel groenten en zachtzure atjar van komkommer. En dat je me liet proeven van pure kokosmelk. Hoe ik toekeek terwijl jij een heuse rijsttafel bereidde en diagonale lijnen in de ananas sneed om zo alle pitjes eruit te verwijderen. Me waarschuwde voor de lomboks, niet aan zitten met de kleine vingertjes en zeker niet in je ogen wrijven!

Je liefde voor eten, liefst met een zekere overvloed, is altijd gebleven. Wat zou ik graag nog eens voor je koken om je daarna, net zoals jij altijd deed als je voor ons had gekookt, aan tafel te kunnen roepen met de woorden Makan! En dat je mij dan zou bedanken voor al dat lekkers, door  met gevouwen handen en gebogen hoofd “ terima kassie banjak” te prevelen. De woorden, de beelden, het eten, je hebt ze meegebracht en aan me doorgegeven.

Dà-àg lieve pa, ik zwaai maar weer eens naar je. Naar je plekje waar er altijd gelachen wordt. En overvloedig gegeten. Met gouden lepeltjes. Het is je zo gegund, maar ik mis je soms zo vreselijk.