Momentopname

Momentopname

Dinsdagmiddag. 15.50 uur. Momentopname. Een tijdstip waarop mijn maag zachte geluidjes laat horen. Ik pak een snoeptomaatje, dat vanwege zijn harde schilletje hardnekkig ergens tussen mondholte en maag blijft hangen. Op het aanrecht liggen vijf stronkjes witlof blijmoedig te wachten op hun op handen zijnde doop in smeuïge kaassaus. Te vroeg om aan de voorbereiding te beginnen, te laat voor nog een boterham. Net thuis van een aantal boodschapjes: een wenskaart, Bed Head hairspray, druiven en die witlof dus. Banale zaken. Thee gedronken. Gemberkoekje erbij.

Een rondborstige dame schalt iets te enthousiast een jodelend stuk opera uit mijn boxen. Geen idee waar het over gaat. Om mijzelf zo af en toe in de Zen-modus te brengen, maak ik graag gebruik van Classic FM, maar dit lijkt op kattengemiauw. Enfin, er zit een knop aan de radio, maar ik ben te lui. Lusteloos klap ik mijn Ipadje open en begin zomaar wat te tikken.

Buurman Peet

Eigenlijk zou ik willen lezen. In de wachtrij liggen: Dit is mijn hof, Slik je dat en Anna. Genoeg om een hele dag mee te vullen. De rust ontbreekt. Mijn gedachten dwalen af naar buurman Peet, die zaterdag helaas een hersenbloeding heeft gekregen. Op zijn leeftijd (97) kan dat fatale gevolgen hebben, hoewel hij vanuit zijn ziekenhuisbed nog steeds aangeeft alles op een rijtje te hebben. Buurvrouwtje scharrelt intussen wat rond in de lege huiskamer. Zo zonder haar Peet is er niet veel aan. Dat zegt ze natuurlijk niet.

Ze houdt zich groot en zegt iets heel anders: we wisten allebei dat wanneer er een van ons zou wegvallen, de ander alleen achter zou blijven. En nu is het zover. Dat kan ook niet anders op onze leeftijd. Maar de kinderen zorgen goed voor me. Haar ogen glanzen, alleen wel op een andere manier dan normaal. Ik luister alleen. Meer kan ik niet doen. Na 73 jaar op een dergelijke wijze uit elkaar gescheurd te worden, moet enorm veel pijn doen. Daar kan geen enkel troostwoord van mij ook maar een fractie aan verzachten. Als ik God was, had ik het allemaal anders geregeld voor ze. Milder. Met minder pijn.

Momentopname

Dinsdagmiddag. 17.27 uur. Opnieuw klap ik mijn Ipadje open en terwijl de witlof in de oven staat te pruttelen, bedenk ik me dat ik mijn woorden net zo goed meteen kan publiceren. Niemand schiet er iets mee op. Geen pretenties, geen bedoeling, geen wijsheid, niets. Het voelt alleen zo goed: de gedachte aan buurmans stralende oogjes als hij wist dat er over hem geschreven werd.

Buurman

Buurman

Als om half elf de deurbel gaat, staat buurman Peet voor de deur. In zijn linkerhand draagt hij een plastic tasje. Zijn ogen staan waterig, waarschijnlijk door de snerpende noordoostenwind. En toch zie ik door de tranenvloed heen zijn immer guitige oogopslag als hij vraagt: “is de baas niet tuus?” Hij staat dan al met één voet op mijn droogloopmat en gluurt naar binnen.

Ik maan hem verder te komen en terwijl hij neerploft op een eetkamerstoel, antwoord ik dat G. om sinaasappels is. Op de markt. Dat kan buurmans goedkeuring wegdragen, sinaasappels zijn gezond. Hij haalt er zelf ook elke week een stuk of twintig. Op de markt, want daar zijn de beste te vinden. Toch blijft hij er enigszins peinzend bij kijken, alsof hij niet goed raad weet met de situatie nu G. niet thuis is. Dan haalt hij een matgouden doosje met het logo van een lokale bonbonwinkel uit de plastic tas tevoorschijn, dat hij resoluut mijn kant op schuift. “Voor joe”, spreekt hij, om enkele seconden later een fles Medoc 2011 op tafel te zetten. “En dit is voor de baas”.

Als ik acuut tegenwerpingen begin te maken, wuift hij vastbesloten alle bezwaren weg. “Niks ervan, geen flauwekul. Voort wat, hoort wat. Ik bin veels te blieje dat G. me vorige week gebracht heeft. Want dat kan ik echt niet meer, hoor. Alleen naar het ziekenhuis”. Buurman schudt zijn hoofd.

Ik pak z’n hand die steenkoud aanvoelt en herinner hem eraan dat we toch ooit afgesproken hebben dat we hulp bieden aan buren een volstrekt normale zaak vinden. Dat we dat graag doen. En dat daar helemaal niets tegenover hoeft te staan.

Ondertussen ritst buurman zijn parka open. Opgelaten zeg ik: “En dan met deze vreselijke kou, dan ga je toch niet de stad in? Dan moet je lekker warm binnen blijven”. Waarop buurman toont wat hij aan kleding draagt. “Kiek, hier zit nóg een jas onder, hoor! En een dikke trui. Een lange onderbroek met twee paar sokken. En handschoenen. Vroeger, toen was het koud als we op de boot zaten en het vroor twaalf graden. Als je dan thuis kwam en je kon je handen warmen, was je echt blieje. Bovendien kreeg ik opdracht van het tuusfront. Anders mocht ik niet meer binnenkomen, zei ze”. Buurman trekt een grijns van oor tot oor. Ik kan niet anders doen dan hem hoofdschuddend aankijken.

Gezondheid

“Gelukkig was het bij de dokter allemaal in orde, toch?” vraag ik.
“Alles goed. Gewoon doorgaan met alles.”
“En dat ene vaatje wat misschien nog verstopt zat, is daar nog iets over gezegd?”
“Ja, daar had hij het nog over en ik heb hem gezegd dat ik nu vier keer gedotterd ben en dat het genoeg geweest is. Flauwekul allemaal. Ik voel me goed. Het is wel prima met ze, ze kunnen zoveel zeggen. Allemaal om te verdienen. We kunnen nog steeds lekker eten, dat is veel belangrijker”, besluit buurman tevreden.

“Hoe is het eigenlijk met Corrie?”, informeer ik voorzichtig, denkend aan haar val van tien dagen geleden op de badkamervloer.
“O, dat gaat steeds beter. Ze gaat iedere dag een beetje meer vooruut. Vanmorgen is de kapper weer geweest, die komt elke vrijdag. En gisteren is ze om boodschapjes geweest. Niet de grote, hoor, want die doe ik elke week. Met m’n scooter. Maar dan haalt ze een plantje. Of iets lekkers voor bie de koffie, dat soort dingen. Ik bemoei me er nooit mee. Dat zijn vrouwenzaken en dat zoekt ze maar mooi uit.”

Moeizaam komt buurman uit zijn stoel omhoog. En dan opeens versnelt zijn pas en loopt hij richting voordeur.
“Nou, de groeten. We zien mekaar weer wel een keer”.

Zesennegentig. Daar gaat hij. De ex-mosselvisser uit Yerseke. Terug naar zijn vrouwtje, met wie hij dit jaar tweeënzeventig jaar is getrouwd. Een standvastige geest in een wankelbaar lichaam. Ik kijk hem na tot hij zijn eigen voordeur bereikt heeft. Daar aangekomen zwaaien we nog even naar elkaar, ten teken dat hij zijn bestemming goed heeft weten te bereiken.

Ik voel een glimlach rond mijn mond spelen. Het zijn vluchtige ontmoetingen, maar ze maken mijn dag. Dan voel ik me zo vreselijk nietig worden en schuift alles wat eerst zo belangrijk leek, naar de achtergrond. Want wat kan ik, als jonkie, nog veel leren van die twee. IJzeren discipline. Wilskracht. Zorgzaamheid en trouw. Goed voor jezelf blijven zorgen. Maar bovenal het blind durven vertrouwen op je eigen gevoel en intuïtie: het gaat zoals het gaat. Levenswijsheid voor op een tegeltje.