Rechte Rug

Toen ik nog jong en recht van lijf en leden was
en jij behoorde tot de ongewervelden van die tijd
beslisten de vele vieze glazen om ons heen

samen te blijven om toch in ieder geval de afwas
tot een zichtbare bezigheid te maken, welke
in tweevoud en in opperste staat van wellust

nooit een einde kende. Hoe wij dachten
met één hand de liefde te kunnen lezen,
terwijl de moeders de stofnesten achter
onze onopgemaakte bedden vandaan krabden

en wij in hun ogen zagen dat ze liever niet,
of eigenlijk ook weer wel, in onze schoenen
wilden staan (die dan wel eerst gepoetst
moesten zijn). Want de liefde, de liefde,

daar draaide het toch allemaal om.

We knoopten de ochtend aan de avond,
vlochten een hongerig verbond en dronken
maandenlang van het net ontwaakte leven.

Pas toen ik de wijn door jouw open handen
liet glijden, hervonden de dagen hun namen
en voor de allereerste keer vloekte ik

op jouw strakgespannen ruggengraat.

© Nell Nijssen

Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift, literair tijdschrift met initiatief
Uitg: Guy Commerman
(Antwerpen, 28e jaargang, nr. 108, sept. 2010)

print

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Login with Facebook

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.