Geroosterde regenboogwortelen met yoghurtdressing

Geroosterde regenboogwortelen

Vier februari 2020. Zo’n dag waarop een mens denkt: laat ik eens regenboogwortelen proberen. Want ja, je loopt in de supermarkt en je kunt nergens die normale oranje-gekleurde staken vinden die men wortelen noemt. Ervoor in de plaats liggen er wel de hippe regenboogwortelen. Oranje, paars, geel. Heel mooi om naar te kijken, maar wat moet een mens ermee?

Op weg naar huis bedenk ik om ze te gaan roosteren. Vermoedelijk zullen ze daardoor hun kleur behouden, fantaseer ik erop los. Ik sta bekend om mijn fantasieën en ik moet eerlijk bekennen dat ik ze koester. Zonder fantasie een inhoudsloos bestaan. 

“Geroosterde regenboogwortelen met yoghurtdressing” verder lezen

Tartelettes van knolselderij en zoete aardappel

Tartelettes van knolselderij en zoete aardappel

Op een ijskoude januarimaand In 1956 werd ik onder het tiende teken van de dierenriem geboren. De bijbehorende karaktereigenschappen werden niet direct zichtbaar, maar gaandeweg mijn kinderjaren begon men toch wel al redelijk snel in te zien dat het hier een klein Steenbokje betrof. Had ik eenmaal een plan of een doel voor ogen, dan was ik niet van plan dit zomaar op te geven.

Kleine Steenbokjes worden groot en al ben ik uitgegroeid tot een rasechte twijfelaar, een zekere eigengereidheid is mij ook niet vreemd. Er valt prima mee te leven, hoewel mensen in mijn omgeving daar soms weer heel anders over denken. Maar goed: alles heeft twee kanten in het leven, het glas is halfleeg óf halfvol. Ik kies vaak voor de laatste optie, dus  kun je onwrikbare koppigheid ook positief interpreteren, zoals: een eigen visie hebben met duidelijke doelen en zonder omwegen eropaf. Geloven in jezelf, dat vormt wel beetje de rode draad in mijn leven. Eenmaal ingenomen standpunten nemen zo snel geen andere wending. 

“Tartelettes van knolselderij en zoete aardappel” verder lezen

Hutspot met zoete aardappel en venkeljus

Hutspot met zoete aardappel en venkeljus

Ook al lijkt het buiten in de verste verte niet op winter, toch kreeg ik vandaag plotseling enorme trek in oer-Hollandse wintergerechten. Zuurkoolstamppot, boerenkool met rookworst, stevige erwtensoep of  smeuïge hutspot. Waarschijnlijk heeft het ook iets met weemoed naar mijn kinderjaren te maken. Toen mijn bordje nog steevast voor me werd neergezet en van mij nog geen enkele verantwoordelijkheid werd verwacht. Een overzichtelijke tijd met uren, dagen, maanden in overvloed om louter met mezelf bezig te zijn.

“Hutspot met zoete aardappel en venkeljus” verder lezen

Gewokte groenten met pindasaus

Gewokte groenten met pindasaus

Jan Petat. Ik wil deze term nogal eens uit mijn mond laten vallen na een overvolle week, als ook de zondag niet mee wil werken. Jeez, de storm buldert deze dag met volle kracht door mijn straat en beukt met fijne slagregens tegen de ramen. Het is géén weer.

De enkele verdwaalde die zich buiten waagt, kijkt met een zuur vertrokken bekkie. Kin op de borst om zoveel mogelijk natuurgeweld te ontwijken. Bah. Terwijl ik juist zo’n behoefte heb aan een lange, frisse wandeling door de bossen. Er zit niets anders op dan binnen te blijven. Daar is het heerlijk windstil. En warm.

Ik haak verder aan het wollen vestje waar ik een week geleden heel fanatiek aan wilde beginnen, maar waarvan ik na bestudering van het patroon toch enkele dagen nodig had om te begrijpen hoe het in elkaar stak. Twee zeshoeken die je dubbel moet vouwen om een vestje te fabriceren. Ga er maar aan staan. Eerst vouwde ik papiertjes. Toen kwamen er stoffen lapjes aan te pas. De vraagtekens boven mijn hoofd werden er niet minder om. Hulptroepen werden ingeschakeld.

Een kluns voelde ik me. Iedereen die een béétje creatief is, snapt dergelijke dingen direct. Kennelijk mis ik een noodzakelijk gen voor dit soort zaken. Nee, aan ruimtelijk inzicht heeft het mij gelukkig nooit ontbroken. Laat mij een olifant tekenen en het wordt vanzelf een fluitketel. Gelukkig is intussen alles duidelijk. En het wordt leuk, heel leuk.

G. en ik slobberen een staartje riesling weg, die overgebleven is na de Elzasser zuurkoolbereiding van gisteren. Ieuw! Niet bepaald ons smaakje. In de zuurkool is-ie heerlijk, wil ik ook niets anders dan deze, maar zo “kaal” draait het een nogal stroef walsje tegen ons gehemelte. Helden als we zijn, drinken we manmoedig door.

We keuvelen wat over een nieuwe thermostaat, want ja, zo’n ding op afstand via je foon of tablet kunnen bedienen, heeft toch wel wat. Bovendien is dat ding van ons antiek. Weliswaar programmeerbaar (waar ik elke dag tijdens het opstaan nog dankbaar voor ben) maar wel via een heel erg ingewikkeld cryptisch menu. Je moet er maar verstand van hebben om daar een halve graad in te wijzigen. Inzicht heb je er voor nodig. Drie keer raden wie dat heeft in huize Eetplezier.

Gelukkig blijven er ook nog simpele dingen in het leven. Zoals groenten wokken en pindasaus maken. Dus wijd ik me daar maar aan. In mijn spiksplinternieuwe wok van Creuset. Een fantastisch ding! Gekocht bij – hoe kan het ook anders – de mooiste en gezelligste kookwinkel van heel zuid-west Nederland: Bianca Bonte.

Gewokte groenten met pindasaus

Achtereenvolgens komen aan bod ui, wortel, puntpaprika en paksoi. Daar voeg ik niet teveel toeters en bellen aan toe, omdat ik alle kruiderij in de pindasaus stop. Eerst een uitje en 2 à 3 knofjes bakken. Slow! Dan een theelepel gemberpoeder, laos, koriander (ketoembar) en sambal naar smaak toevoegen. Wederom slow, want anders verbrandt het zaakje. Beetje water erbij, dan de pindakaas toevoegen: drie à vijf volle eetlepels. Blijven roeren.

Zodra het te dik wordt, ga je kokosmelk toevoegen. En maar blijven roeren. En kokosmelk (of af en toe een beetje water) toevoegen. Afmaken met een scheut neutrale ketjap, gembersiroop en het sap van een halve limoen. Misschien een beetje zout erbij voor de liefhebbers. Inkoken tot de gewenste dikte. Kijk maar wat jij ervan brouwt. Dit is de gemakkelijke manier, misschien vind jij het op een andere wijze veel lekkerder-der-der. Vertel het me gerust hieronder.
Lekker met droge, witte basmatirijst, zoetzure komkommer en emping.

Tussen alle windvlagen door schreef ik ook nog een versje. Beetje melancholisch misschien. Ik gun het mezelf.

Winterdagdroom

In het element, denk ik. De lichtjes op een rij.
Zalm-komkommerhapjes in aangename overvloed.

Jammer dat hij er niet is. En zij. En zo
nog een paar. Gebeeldhouwd in het hoofd.
Natuurlijk. Het enige dat blijft.

Zoef, zoef, glijdt de auto over zwart satijn.
Ergens zijn de straten afgezet.

Er is geen reden tot paniek. Dit is binnen.
Hier kan niets gebeuren.

Het is hier stil. Stiller. Stilst.
Op het klikken van de thermostaat na.
Hoe meer lege glazen hoe meer verleden.

En in dat ene uur leer ik. Over kracht en kwetsbaarheid.
Maar ook over welverdiende kalmte en vernietigend verliezen. En vooral over hoog en droog daarboven.
Geen vuurwerk. Geen full-color festival.

Ik troost me. Zolang er weten is, is er leven.

Creuset wok met gewokte groenten

Geroosterde bloemkool

Schaaltje met geroosterde bloemkool en een koekje van parmezaan

Er zijn van die dagen, dat een mens balanceert tussen mal en dwaas. Tussen lief en leed. Tussen zomer en herfst. Dagen met een onbestemd gevoel, waarop je zelfs niet weet waaruit de dagelijkse maaltijd gaat bestaan. Een koelkast vol ingekochte verse waar en niet één idee wat je er mee aan zal vangen. Witlof. Mais. Paksoi. Bloemkool. Alles al zo vaak gegeten. En nu ik mij middenin vleesloze maanden bevind, wordt een volwaardige maaltijd bedenken er niet eenvoudiger op.

Tijdens een relaxte zondagmiddagwandeling door de polders van Goes, komt echter als donderslag bij heldere hemel het antwoord. Het gaat bij variatiemogelijkheden niet zozeer om wát je bereidt, maar veel meer om de vraag hóé. Ik realiseer me plotseling dat ik veel producten vaak op dezelfde manier behandel. Witlof als salade of gestoofd. Mais in een roerbakschotel. Paksoi met paprika, noodles en zoetzure saus. Wat je zegt: eentonig. En da’s niet goed voor een gezonde trek. Dus óm met dat roer. Vanaf vandaag ga ik wonderlijke dingen doen met mijn eten.

Ik trap af met geroosterde bloemkool. Al enkele keren voorbij zien komen, maar nooit echt aandacht aan besteed. Er bestaat ook geen juiste handelswijze voor, vermoed ik. Ik deed het in ieder geval op de volgende manier.

Geroosterde bloemkool

Snijd de roosjes van de bloemkoolstronk los.
Was deze en snijd dan, boven een schaal, van elk roosje circa 1 cm van de bovenkant en zijkant af.
Van het steeltje dat overblijft, snijd je dunne plakjes.
Leg dit bloemkoolmengsel in een met bakpapier beklede bakplaat.

Meng in een schaaltje 1 fijngesnipperd sjalotje, peper, zout en flink wat olijfolie. De hoeveelheid olie is een beetje afhankelijk van de grootte van je bloemkool. Het geheel moet overal bedekt zijn, maar ook weer niet zwemmen.

Hussel het oliemengsel door de bloemkool en laat de groente circa 25-30 minuten roosteren in een voorverwarmde oven van 200 graden.

Ik at er heerlijk romige aardappelpuree bij en voor de broodnodige bite koekjes van parmezaanse kaas. Rasp de kaas, maak er hoopjes van op een ander bakblik en bak deze de laatste 10 minuten mee in de oven.

Schaaltje met geroosterde bloemkoolroosjes en een dun kaaskoekje

Dubbelgedopte tuinboontjes met geitenkaas

Schaaltje met dubbelgedopte tuinboontjes, rode uiringen en geitenkaas

Of het nu om vlees, groenten, fruit of kaas gaat, als je écht lekker wilt eten gaat het altijd om het vinden van de juiste producten. Onbewerkt. Zo vers mogelijk. En liefst biologisch. Zo gemakkelijk is dat nog niet in het leven van alledag. Vooral niet als je te maken krijgt met seizoensgebonden producten. Tuinbonen bijvoorbeeld is zo’n item. Elk jaar weer neem ik mezelf voor goed op het aanbod te letten, want voor je het weet is de volledige oogst al weer verdwenen in de potten van mevrouw Martine Hak.  Er gaat niets boven jonge, malse peulen; oude tuinbonen hebben de smaak van te lang gelegen zweetsokken. Yuck.

Ieder jaar eet ik ze ten minste één keer. Dat moet van mezelf. Omdat een mens nu eenmaal van alle (groente)markten thuis dient te zijn. Daarom. Stiekem vind ik verse doperwtjes nóg lekkerder, maar dat lijkt zo’n beetje een pré-historisch gewas geworden. Ik kan ze in ieder geval bijna nergens meer vinden. Wie ze nog wel weet te vinden, mag hieronder zijn vinger hoog in de lucht steken.

Dubbelgedopte tuinboontjes met geitenkaas

Vandaag stonden er dus tuinboontjes op het menu. Een kilo. Dat is te weinig om voor twee personen als substantieel onderdeel van een maaltijd gezien te worden, maar wel voldoende voor een zomeravondhapje, waarbij het niet zo zeer gaat om het vullen van de maag, maar meer om het zinnestrelen van de mondholte. Vanzelfsprekend dubbeldopte ik de bonen. Sommige lieden vinden dit tijdrovend. Ik vind het, net als het draaien van balletjes voor de soep of asperges schillen, uitermate fijn om te doen. Eerst de dikke peulen met een scherp mesje ondiep insnijden en openbuigen, om daarna de glanzende, grijs-groene parels uit hun fluwelen bedje te wippen. Vijf minuutjes koken in gezouten water. In een vergiet uit laten lekken en meteen het botermalse, helgroene binnenboontje van haar taaie, grijze schilletje ontdoen. Dat gaat heel gemakkelijk door aan één kant zacht te knijpen. Hierdoor floept het boontje er met kracht uit.

Tevoren had ik een rode ui in dunne ringen gesneden en deze enkele uren laten marineren in twee eetlepels rode wijn azijn met een klein schepje suiker. Op deze wijze wordt de ui prachtig roze. Deze schikte ik tussen de lauwe tuinboontjes, met er bovenop wat verkruimelde geitenkaas. Een klein beetje fijngesneden munt voor de finishing touch en smikkelen maar. Wij aten er dikke sneden zuurdesembrood bij met een frisse Albariño als aangenaam gezelschap.

Schaaltje met dubbelgedopte tuinboontjes, rode uiringen en geitenkaas