Koude voeten en wat er aan te doen?

Koude voeten beenwarmers

Vrouwen hebben altijd koude voeten. Het is een wetmatigheid waar volgens vele mannen niet aan te tornen valt. Mijn fysio-therapeut is de overtuiging toegedaan dat het allemaal te maken heeft met de toestroom van energie naar de baarmoeder. Sowieso vraagt het verwarmen van je lichaam om energie. Energie is echter uitputtend. Het moet zich al over zoveel organen, weefsels en spieren verdelen, dus ooit is het gedaan met de hoeveelheid warmte. Mannen hebben zo’n kinderherberg niet in hun lijf, verliezen geen energie en hebben dus minder last van koude voeten. Klinkt heel plausibel allemaal, nietwaar?

En omdat vrouwen ook altijd veel te veel in de weer zijn met crash-diëten, eten ze soms simpelweg te weinig of niet het juiste om voldoende energie te vergaren. Tel daar een eenvoudige verkoudheid bij op, die vele kW’s aan energie opslokt en hoppa: weldra verschijnen de bontgekleurde wollen breiseltjes om vrouw’s verkleumde achterpootjes.

Tot zover de theorie. Het valt allemaal wel mee, zou je zeggen. Aangezien ik zelf ook van het vrouwelijke soort ben, weet ik intussen dat het knap lastig aan kan voelen, van die door- en door ijskoude onderdanen. Als de eerste tekenen van het najaar zich aankondigen, gaat wat mij betreft de centrale verwarming aan. Dat leidt tot onherroepelijke vergeldingsacties van mijn mannelijke huisgenoot. Uit met dat ding! Het zweet staat op zijn hoofd! Ben ik nou helemaal en zo. Oké, hij heeft gelijk, ik sla weleens door als ik eenmaal kou begin te krijgen. Omdat ik inmiddels weet dat, wanneer de kou eenmaal mijn onderrug heeft weten te bereiken, mijn voeten binnen no-time aan gaan voelen als diepgevroren ijsklompjes. Om daarmee naar bed te gaan, voelt als liggen in een ijskoud Arctisch gebied. Waar ik vervolgens ook mijn bedgenoot mee belast. En laten we eerlijk zijn: een bed waarin twee personen liggen, is toch in feite bedoeld voor ehhhh, laten we zeggen enigszins warmere activiteiten dan ronddobberen in een bad vol ijsklontje.

Maar vrouwtje Eetplezier dacht na en kwam tot de volgende oplossing. Na de elektrische dekentjes, voetenzakken en andersoortig verwarmend materiaal, gaat zij aan de beenwarmers! Lachen jullie maar, het lijkt mij vooralsnog een effectieve oplossing. Natuurlijk is het van oorsprong een accessoire dat toebehoort aan de categorie jong, wild en swingend, maar het gaat nu even om de functionaliteit, nietwaar? Misschien kan ik ermee voorkomen dat de onderdanen koud zijn, voordat ik het zelf in de gaten krijg. Probleem was wel of ik die dingen kon kopen die aan mijn verwachtingen zouden voldoen. Voor zo’n oud exemplaar als ik is het niet snel goed. Dat bleek ook al heel snel in de praktijk.

Koude voeten en wat er aan te doen?

Goede raad was duur. Komt de berg niet naar Mozes etc … Ik kocht mijzelvers een zgn. loombreiring, inclusief bollen wol in de gewenste kleuren en ging welgemoed aan de slag om mijn beenwarmertjes zelf te breien. Volgens de mevrouw van de handige-handjes-winkel kon er niets mislukken. Het was eenvoudiger dan punniken. Nu weet ik gelukkig dat mijn creatief-artistieke vaardigheden niet op een erg hoog peil staan, dus de verwachtingen waren niet al te hoog gespannen. Toen de loomring dan ook in de prullenbak belandde, was dat niet echt een verrassing. Hoe vreemd het ook klinkt: de ouderwetse breipennen leken mij beter te bevallen. En nu ben ik zover dat de opzetsteken op de rondbreinaald staan. Klaar voor de start!

G. loert elke dag even naar het povere breiwerkje en meent dan cynische opmerkingen te moeten plaatsen als “het schiet al lekker op” en “lekker warme voeten zeker?”. Dat schiet altijd (ik herhaal al-tijd) in het verkeerde keelgat. Niet-eenvoudige klusjes als deze vragen toewijding en geduld. Fluister ik mezelf plechtig toe. En in de tussenliggende tijd mag G. gewoon zijn aangeboren wantrouwen aangaande mijn creatieve behendigheid op mij blijven botvieren. Want daar krijg ik het telkens weer warm van. Errug warm.

Koude voeten beenwarmers

Spijsvertering met kuren

Spijsvertering met kuren

Laat ik beginnen met te zeggen dat de volgende post voor jullie misschien een beetje merkwaardig over kan komen. Een blog over het klaarblijkelijk eeuwigdurende plezier in eten en drinken en dan nu aankomen met een onderwerp dat daar mijlenver vandaan ligt. Tsja, het is niet anders, mensen. Time flies. Wat gisteren nog actueel was, kan vandaag alweer sleets zijn. O ja, er is nog steeds volop Eetplezier; alleen zo af en toe met wat euh … haperingen, laat ik het zo formuleren. Toen ik voor de eerste keer deze spijsvertering met kuren Onthullingen deed tegenover mijn moeder, ontspon zich het volgende.

“Nu voel ik me beter dan vijfentwintig jaar geleden”, zegt mam, terwijl we samen de afwas doen in ons buitenhuisje. “Beter in mijn buik vooral”. Samen laten we herinneringen de revue passeren aan haar spijsvertering met kuren: dat zij tijdens een gepland etentje weinig honger had en vaak al zat te puffen bij een iets te vol bord. Geen overzicht, klaagde ze dan. De borden waren altijd te groot, het eten te gekruid en haar tafelgenoten leken verdorie wel hollebollegijzen. Hoe kregen ze het in vredesnaam allemaal weggewerkt? Mam zelf zat intussen, als toonbeeld van een verdwaasde anorexia-patiënt, haar eten maar een beetje heen en weer te schuiven.

Altijd werd het feestgevoel overschaduwd door het zichtbaar lijden van mam. Het drukte voor mij, als jong-volwassene, toch min of meer de pret dat bij een samen-zijn hoort. Waarom kon ze nooit eens voluit meegenieten? Wat was dat toch met die ingewanden van haar? Zat er iets tussen haar oren, waar ze geen kant mee op kon? Warren het onderdrukte emoties? En nu ben ik op dezelfde leeftijd als zij destijds. Met dezelfde eigenaardigheden moet ik helaas vaststellen. Gauw verzadigd. Veel lucht. Altijd spanning in en rond de buikstreek, die toeneemt als er écht spannende zaken op de playlist staan. Oké, ik weet me beter te beheersen en laat me min of meer leiden door een verbeten soort van doorzettingsvermogen. Of dat in mijn voordeel werkt? Ik betwijfel het.

Spijsvertering met kuren

En natuurlijk ben ik niet mijn moeder. Ander tijdperk. Ander mens. Waar mam als een vooroorlogs persoon door het leven moest, ben ik toch meer van het eigentijdse, pragmatische zoeken naar oplossingen. Dus schrapte ik eerst alle zuivel uit mijn voedingspatroon. Want zuivel, ja, daar waren alle voedingsgoeroes het zo langzamerhand wel over eens: een uitstekend product ter promotie van de Nederlandse melkindustrie, maar voor menselijke consumptie niet echt geschikt.

Slijmvormend vanwege de caseïne in koemelk. Dit stofje maakt histamine aan, waardoor er niet alleen slijmvorming optreedt, maar dat ook nog eens kan zorgen voor allerlei allergische reacties. Bovendien kan het zorgen voor een lactose-intolerantie, dat op zijn beurt weer behoorlijke problemen kan opleveren voor een gezonde darmflora. Nu was ik al geen fan van pure melk en ook de puddinkjes en vla’tjes behoorden niet tot mijn meest favoriete voedingsmiddelen. Ik at het omdat ik dacht dat het gezond was.

Nadat de zuivel een half jaar lang uit het dagelijks eetpatroon verbannen was, bleven mijn ingewanden gewoon doorjammeren. Luchtbelletje van formaat, vaak naar het toilet, niet echt lekker door kunnen eten, een gevoel alsof ik een zwangere buik voort moest torsen … och, och, ik voelde me bij tijd en wijle net mam. Niet altijd, maar toch.

Tarwe als boosdoener

Toen ontstond het idee van de Broodbuik. Misschien kon ik wel niet meer tegen tarwe. Geen idee. Ik verdiepte me in de materie en las dat er wereldwijd ongeveer 700 miljoen ton tarwe wordt verbouwd. Door allerlei veredelingsmethoden heeft onze moderne tarwe niets meer van doen met het aloude oergraan. De oorspronkelijke genetische samenstelling is in korte tijd dusdanig gemodificeerd dat het volledig verschilt van de tarwe van vroeger. Doel: meer opbrengst uit één hectare. Dat de menselijke spijsvertering en fysiologie zich wellicht niet snel genoeg had kunnen aanpassen aan deze veranderingen, werd gemakshalve maar buiten beschouwing gelaten. Het doel heiligt alle middelen tenslotte.

In de moderne tarwe zit een nieuw eiwit: gliadine. Gliadine is het eiwitcomponent in gluten. Deze geeft, net als glutenine, elasticiteit aan de producten waar het in zit zoals het meel waarvan brood gemaakt wordt. Hoe meer gluten het meel bevat, hoe steviger het brood wordt. Gliadine zat van nature niet in tarwe, dit is naar verhouding nog een redelijk nieuw eiwitcomponent. Nu ben ik niet zo’n type dat al die moderne hocus-pocus aanhangt, maar als je een kwaal hebt, wil je er het liefst zo snel mogelijk vanaf en is elke strohalm er één. Dus at ik een tijdlang speltboterhammen. Ach, niks mis mee, best te eten, hoor. Geen probleem. Alleen was het niet zo dat mijn ingewanden ook meteen een feestje gaven. Dat wil zeggen: ik merkte weinig verschil.

Geen fruit na de maaltijd

Goed. Het piekeren (lees: logisch nadenken) hervatte zich. Ook begon ik een eetdagboek bij te houden. Ik moest er toch achter kunnen komen wat me precies triggerde? Nu ben ik van huis uit opgegroeid met het regelmatig eten van fruit. Ik lust ook echt alles. Als het maar smaak heeft. Helaas mankeert het daar de laatste tijd nogal aan. Dat terzijde. Fruit dus. Ik eet het vaak na de lunch of de warme maaltijd. Tot ik er via mijn eetdagboekje achter kwam, dat dat me niet altijd (zeg: nooit) beviel. Ook daar ging ik me in verdiepen. En wat schrijven de geleerden? Fruit direct nà een maaltijd zorgt voor gisting.

Ergens wel te verklaren, hoewel ik er eerder eigenlijk nooit iets van gemerkt had. Maar een lichaam van 60 is zoetjesaan aan het degenereren, produceert minder verteringsezymen etc, dus plande ik mijn fruithapje braaf in tussen de maaltijden door. Zonder effect overigens. Het lijkt er echter wel op dat ik beter gedij, als ik een dag of wat het fruit oversla. Dat wil ik dus niet. Fruit en groenten hóren voor mij bij: gezond! Ik kan en wil absoluut niet zonder.

Wat nu? Goeie vraag. Naar de diëtist? Naar de huisarts? De hypnotherapeut? Geen van beide opties hebben mijn voorkeur. Het geeft allemaal zo’n rompslomp. Voor je het weet zit je in de “witte molen” en wordt je honderdduizend rondjes meegezwierd in iets waar je helemaal geen energie in wilt stoppen. Aan de (commerciële) probiotica dan maar? In beginsel sta ik ook daar erg sceptisch tegenover. Maar kijk, dan komt nu het grote voordeel van een blog om de hoek kijken.

Dit stukje wordt door veel mensen gelezen. Veel van jullie ken ik van eerdere contacten of reacties. Dat is fijn, want het schept een band. Het is dan ook juist daarom dat ik een beroep op jullie kennis/ervaring durf te doen. Wie kan/wil mij een (voedings)advies geven, liefst gebaseerd op eigen ervaring? Ik sta open voor alle mogelijke opties of inzichten. Liever niet onder dit artikel reageren? Stuur me dan een pb’tje. 

Frambozen met bosbessen

Ruggespraak

Ruggespraak

Ruggespraak. Neem het in dit geval letterlijk. Want het is al wekenlang aanmodderen in huize Eetplezier. Dan wordt er natuurlijk wel gegeten, maar op een simpeler manier dan wanneer ik in goede doen ben. Voor nu ontbreekt het even aan geblader in kookboeken, er staan geen nieuwe recepten op het programma, kortom: weinig spannends te beleven op tafel. Het ongerief begon allemaal op een slechte dag, toen G. zijn ruggenwervels het lieten afweten.

Kermend kwam hij de dagen door, met veel Naproxen en rust voor de rug. Hij hing, hij stond, hij ijsbeerde en lag op bed of de bank. Dat kan gebeuren. Het zijn vervelende dingen, die jullie vast zullen herkennen. Ieder ander meldt zich ziek, wacht tot het over is en gaat weer vrolijk verder waar hij gebleven was. Dat ligt voor G. en mij iets anders. Mijn legertje hulpmannen moest in actie komen. Huh? Ja, lieve leesbuiskinderen, sommige dames hebben niet genoeg aan één man. Waarom in vredesnaam, hoor ik jullie denken. Om eerlijk te zijn: daar wil ik jullie allemaal niet mee vermoeien. Degenen die mij kennen, weet waar ik het over heb. Maar alles sal reg kom en dan ga ik weer fris en fruitig met mijn pannetjes aan de slag.

Of een weerspannige rug al niet genoeg was, was er ook nog de never-ending story van pc-leed. Een tijd geleden vertelde ik jullie over de bij tijd en wijle hoog oplaaiende strijd hier ten huize tussen Windows en Apple. Enfin, ik wilde eigenlijk helemaal niets veranderen, maar kon geen kant op. Windows 10 ging steeds heftiger op mijn beeldscherm kloppen en En als ik nu ergens geen zin in had …. Enfin, lang verhaal ingekort: ik besloot me te laten inwijden in de Apple-gemeenschap. Dan maar als elitair betiteld worden. Alles beter dan 10 ruitjes waarover ik al meer dan genoeg wanhoopskreten had gehoord. Een klein voorbehoud bouwde ik in voor mezelf, nl het volledige Office pakket, in de 365 abonnementsvorm. Wennen aan nieuwe toetsenborden en schermpjes is al ernstig genoeg, als daar bovenop ook nog nieuwe programmatuur komt, dan kunnen ze mij gillend afvoeren.

De koop was zo gepiept, dat is meestal het probleem niet. Toen kwam het exporteren en importeren van data. Volstrekt wars van dit soort tijdverslindende zaken, begon ik met Outlook mail + agenda + taken. Geen contactpersoon te zien, de taken bleken helemaal niet meer te bestaan. Zwarte wolken pakten zich samen boven mijn hoofd. Bellen dan maar met de whizzkids van Microsoft, die in de praktijk klonken als wijsneuzige schoolverlaters. Na drie uur aan de telefoon gehangen te hebben en twee vervolgtelefoontjes de dag erna, wisten zij het ook niet meer. Jeez! G. begon steeds geniepiger naar me loeren. Althans, zo leek het. Boven zijn hoofd zag ik steeds grotere wolkjes verschijnen met teksten als “doe toch niet zo moeilijk, jij met je Office” en “dat heb je ervan, als je niet gewoon de hele appel wilt gebruiken”. Ik liet het een nacht betijen, voordat er doden zouden vallen.

In een vlaag van verstandsverbijstering liet ik me overhalen MS Office te laten voor wat het was. En joepie: in no-time had ik alles operationeel, inclusief een heuse sync tussen IPad en IMac. Wow, hoe handig kan het leven zijn. Natuurlijk bleef ik nog wat napruttelen, dat hoort zo bij eigenzinnige lieden, maar vanaf nu ben ik dus in het bezit van een officieel certificaat: Apple-gebruiker! Ik had het zelf nooit voor mogelijk gehouden.

Op de eerste dag dat G.’s rug zich iets minder liet voelen, planden we een lunch buitenshuis in. Dat zou een welkome afwisseling betekenen. We kozen een adresje uit met veelbelovende recensies en bestelden het 3-gangen menu. De salade van krab en de bisque waren prima. Mijn “klassiek in roomboter gebakken tongetjes” arriveerden daarna en ik zag al direct dat de visjes er erg bleekjes en waterig bij lagen. Geen enkele vorm van versiersel erbij, geen groenten, niks. En ja hoor, precies wat ik dacht: de tongetjes waren niet echt lekker doorgebakken. Het van oorsprong stevige visvlees krijgt dan een, wat ik altijd noem, weke structuur en dicht bij de graat zie je nog roze-rode tinten glinsteren. Hoe ze het voor elkaar krijgen, daar in de keuken, weet ik niet, feit is dat het o zo pure tongetje op deze manier niet te hachelen is. Doodzonde.

Mijn fantasie slaat op die momenten op hol. Staat er een leerling in de keuken die een eenvoudige opdracht krijgt; aan een gebakken visje valt weinig te verprutsen? Legt de chef ze zelf in een pan met zwetende boter, zonder zich er verder nog om te bekommeren, omdat hij ’s avonds 80 couverts verwacht en zijn mise en place nog niet op orde is? Is de voltallige keukenbrigade ziek en hebben ze de voor die ene lunchklant de afwashulp maar tijdelijk ingezet? Een mens krijgt er nooit een eerlijk antwoord op. Wat ze dan weer wel siert: het werd van de rekening gehaald. Overigens was de crème brûlée die als dessert moest dienen, een veel te dikke, machtige pudding-achtige substantie met een overheersende koffiesmaak. Het gebrande laagje was wel mooi krokant, maar tijdens het opdienen al aardig koud geworden.

Maar goed, we zijn weer een ervaring rijker en nee, ik ga geen namen noemen. Ten eerste vind het niet sjiek en ten tweede heb ik zelf ook een hekel aan mensen die hun kritiek spuien tegen andere personen dan degenen voor wie het bedoeld is. Ter plekke heb ik mijn beklag gedaan, dat moet voldoende zijn.

Nou, vrouwtje Eetplezier, dat was weer een verhaal vol zelfbeklag, vind u zelf ook niet? Misschien wel een beetje, moet ik toegeven. Ik ben me er één, om met Herman Finkers te spreken. Het goede nieuws is dan weer dat ik jullie heb als positieve tegenpool. En dat ik nooit, echt nooit, pijn in mijn rug heb.

Kanniewaarzijn

Orzo met aubergine en mozzarella

Heb ik weer, gevalletje kanniewaarzijn. What happens?

Ik vertelde jullie al eerder over het oog. Míjn oog, wel te verstaan. Altijd dwars, altijd moeilijk doen. Een gebed zonder end. Tot een academisch opgeleide mevrouw in een witte jas in het midden van het land er op de valreep nog één netjes gepreveld Amen aan weet te breien.  Ze kijkt er akelig triomfantelijk bij. En ik durf haar, volledig in tegenstelling tot mijn eigengereide attitude, niet tegen te spreken, laat staan erover door te vragen. Ondersteboven kan ik lezen dat ze Tacrolimus opschrijft en daaronder 40x. Een geruststellende overdaad. “U dient er bedacht op te zijn dat niet iedere apotheek het kan bereiden”, spreekt de mevrouw, iets minder opgetogen nu.

Gelukkig zijn er in het medische labyrint aldaar, o godallemachtig, wat moet ik moeite doen om niet te verdwalen, een groot aantal gifmengers aanwezig die zich achter hagelwitte balies hebben opgesteld. Mijn volgnummertje is 78. De rode letters op het display (nummerbord is niet de juiste naam, maar hoe heet zo’n afzichtelijk ding dan in vredesnaam wel) wijzen onverbiddelijk 53 aan. Tien lange minuten later staat er 55. Het lijkt alsof ik in een slechte film terecht gekomen ben. Met een onoplosbare storing. Enfin, eerst maar koffie.

Aan het eind van de middag heb ik de buit binnen. Twee lieve, kleine tubetjes van 3 ml. Even voor degenen met een armoedig voorstellingsvermogen: 3 ml is echt ongelooflijk klein. Een tubetje Blistex. In de koelkast bewaren. Houdbaar tot 11 oktober 2015. Dat was toen. Toen is inmiddels vier weken geleden.

Dus ga ik vandaag vrolijk op weg naar mijn plaatselijke medicijnman om nieuwe voorraad in te slaan. Want werken doet dat smeerseltje wel! Holy mozes, mijn linkeroog ondergaat een complete wedergeboorte. Goed spul. De apotheker om de hoek heeft altijd al een meelevende oogopslag, maar kijkt vandaag wel erg droefgeestig als ik hem het recept overhandig. “O, dit kan ik niet maken”, zegt hij. Het is een magistrale bereiding. Hij verdwijnt met gezwinde spoed naar achter. Kijk, dat is nu het voordeel van Google en even moeten wachten: als de man weer aanspreekbaar is, weet ik inmiddels dat “magistrale bereiding” zoiets betekent als hogere hocus pocus in de farmacie. Iets met grondstoffen en ouderwets handwerk.

“U moet allereerst uw zorgverzekeraar bellen om te vragen of het wel vergoed wordt”, oreert mijn eigenste gifmenger. “Het is vrij duur spul”. Hmmm, ik denk er het mijne van. Zeker bang dat hij niet genoeg winst kan maken op een met de hand bereid geneesmiddel. Want ja, met uitstervende vakidioten kun je natuurlijk geen woekercontracten opstellen en geen stiekeme dealtjes sluiten, ergens tussen de tee en hole 18. Er begint ondertussen een ware lichtshow in mijn hoofd aan- en uit te floepen. Ik snappum. Denk ik.

Kanniewaarzijn

Eenmaal thuis bel ik CZ. Vraag 1: wordt het middel vergoed? Vraag 2: wat is de prijs per tubetje van 3 ml. Op mijn eerste vraag krijg ik een helder antwoord. Ja. Mooi, dat is geregeld. Vraag 2 ligt iets ingewikkelder. De helpdeskdame weet mij, na drie keer vermaakt te zijn door een oervervelend melodietje, te vertellen dat de prijs afhankelijk is van de op dat moment geldende prijs op de grondstoffenmarkt. O? En wat is dan de actuele prijs? Op dit moment? Dat laatste voeg ik er volledigheidshalve maar aan toe, bang te moeten ontdekken dat zelfs het woord actueel teveel voor haar is. Na een aantal minuten komt ze met een koel uitgesproken “€ 200,00, mevrouw”. Ik rol bijkans uit mijn stoel van schrik en reken snel: dat is in mijn geval € 400,00 per maand. Alsof je een geneeskundige zandbak leeg gooit. “ik vergeet nog te zeggen dat het om een experimenteel middel gaat”, roept de dame ver weg vanuit de telefoonhoorn.

Met flink de pest in, begin ik aan de avondmaaltijd. Zoveel geld om slechts een rood oog te voorkomen. Van deze centen kunnen hele volksstammen ingeënt worden tegen de meest kwalijke ziekten. Er kan een half ziekenhuis van ingericht worden in een ontwikkelingsland. De eigen bijdrage kan ervoor worden kwijtgescholden bij een gezin dat het niet breed heeft. Er kan ….

Zo sudder ik de avond in. Verontwaardigd, somber en bezwaard. Niet goed wetend wat ik hiermee aan moet. Ik snijd wortelen en bleekselderij. Aubergine, ui en tomaten. Rasp parmezaanse kaas. Neerslachtig kijk ik naar het recept dat ik wil maken. O ja, de orzo gaat ongekookt in de schotel. Help, dat gaat niet goed komen op een dag als vandaag. Het is me nog nooit gelukt om niet voorgekookte pastasoorten lekker zacht te krijgen in een ovenschotel, al gebruik ik tien vrachtwagens saus. Maar kijk, dat blijkt dan weer mee te vallen. Als ik na een veertigtal minuten de schaal uit de oven haal en er met een vork in prik, voelt het heerlijk romig. En zo smaakt het ook. Fris door de citroen. Gezond door de grote hoeveelheid groenten. Voedzaam vanwege de pasta.
Met dank aan Caroline en vanzelfsprekend aan de maestro himself: Ottolenghi.

En nu verwachten jullie natuurlijk de moraal van dit verhaal. Eind goed, al goed of zoiets. Nee, dat is het niet en dat wordt het ook niet. Telkens wanneer ik mijn oog weer een likje zalf geef, bedenk ik me hoeveel dat streepje wel niet kost. En wat er voor in de plaats verricht kan worden. Het is allemaal niet eerlijk geregeld in de wereld. Het doet mijn solidariteitsgevoel geen deugd. Ik vind dergelijke belachelijke prijzen ook ethisch niet verantwoord binnen de gezondheidszorg. We hebben het hier niet over levensbedreigende situaties. Aan de orde is een vervelend oog dat soms rood, soms pijnlijk is, maar waar ik niet aan dood ga. Vertel eens, hoe zou jullie reactie zijn?

Ovenschotel met orzo en aubergine, afgedekt met tomaat

Oogje in het zeil

Oogje in het zeil

Sommige mensen bewegen zich al fluitend soepel door het leven. Ik ook. Met dit verschil dat mijn hoofd eveneens diverse vrolijke wijsjes produceert, maar alle overige lichaamsdelen zich daar vervolgens jammerend, kermend en zuchtend bij aansluiten. Dat is niet iets om dramatisch over te doen. Dat is een gegeven waar heel goed mee te leven valt. Zolang alle zintuiglijke functies doen wat ze moeten doen, voel ik mij – daarbinnen in mijn hoofd – tamelijk gelukkig.

Heel hinderlijk is echter dat ik al meer dan vijf jaar een onwillig linkeroog heb. Het zicht is gelukkig nog prima, ook al slingeren er overal leesbrilletjes met sterkte plus twee. Intussen heb ik vastgesteld dat dat volledig acceptabel is op mijn leeftijd. Vervelender is dat het oog soms stroef in zijn veilige bedding beweegt. Dat is meestal een teken dat na een dag of wat ontstekingscellen aan hun opmars beginnen en binnen no time is dan mijn dierbare kijker getransformeerd tot een rood, pijnlijk bolletje.

In al die jaren heeft het verschijnsel diverse kwalificaties meegekregen: syndroom van Sjögren, conjunctivitis, blepharitis. Al die tijd was er maar één oplossing: anti-biotica druppelen, in combinatie met vrachtladingen kunsttranen. De top van de firma Bausch & Lomb rijdt intussen in nóg sportievere BMW’s dan voorheen, boeken vakanties naar nóg exotischer oorden en zien hun beurzen dikker en dikker worden. En dat allemaal dankzij mij.

Zelfvoldane  types, dat zijn het, die zelfverrijkers aan de top en ik kan me er geen mogelijkheid in vinden. Ze kampen kennelijk niet vaak met lichamelijke ongemakken, althans ik mag aannemen dat dollartekens in je ogen niet pijnlijk zijn, anders kenden zij het leven wel andere waarden toe. Ho even, vrouwtje Eetplezier. Niet afdwalen. Bij de les blijven. De wereld veranderen is een utopie.

We schrijven eind februari 2015 als er zich een nieuw fenomeen aandient. In eerste instantie laat het zich aanzien als rordelgoos (met vrolijker varianten worden ziektebeelden over het algemeen draaglijker). Zes weken later denkt de dermatoloog daar anders over, als ik hem een foto laat zien van mijn rode appelwangetjes, waardoor ik er bij tijd en wijle wel er-rug gezond begin te kleuren. Rosacea, kraait hij opgetogen. Geen twijfel mogelijk. Mooi. Ik voeg het toe aan mijn lijst van aandoeningen. Ik twijfel of ik hem de problematiek van het linkeroog nog zal voorleggen, tot ik in de hoek van de spreekkamer een paar splinternieuwe stoute schoenen zie staan.

Mijn tijd is eigenlijk al verstreken zie ik, na een vluchtige blik op de dokter, die over zijn toetsenbord gebogen zit te tikken, alsof hij aan de kampioenschappen sneltypen deelneemt. Ja, er is een duidelijk verband tussen rosacea en oogproblemen, hoor ik hem prevelen. Vijftig procent van de patiënten heeft daar last van. Maar dat moet u even bij de oogarts navragen.

Navragen? Man, ik heb de afgelopen jaren minstens twintig bezoekjes gebracht aan diverse oogartsen. Stuk voor stuk deden zij aan eigen onderzoeken en ieder voor zich had zijn eigen, geheel op persoonlijke gronden stoelend oordeel over mijn linkeroog. Samenwerking of gezamenlijk overleg is niet des medici. Het is een collectief mankement dat ze allen, ik herhaal: allen, ten toon weten te spreiden. Liever bouwen ze gestaag verder aan hun ivoren bouwwerk, dat, als het af is, verdacht veel weg heeft van een onbenaderbare toren. En ook al zijn er steriele lieden die echt enorm veel kennis in huis hebben binnen hun specialisme; te vaak zijn ook zij volslagen mislukt als normaal functionerend mens. Zonder invoelend vermogen. Zonder comunicatieve vaardigheden. Ik dwaal weeer af.

Deze oogarts is nieuw. De ouwe meute is vervangen door enthousiaste jongelingen, waarvan zij er één is. Ze oogt kittig en loopt met gezwinde pas. Dat gegeven was me al eerder opgevallen: eenmaal gekleed in een witte jas, stralen deze gezondheidverzorgers een misplaatst soort onsterfelijkheid uit. Altijd kwiek. Altijd tomeloos energiek. Enfin, daar kunnen zij natuurlijk ook niets aan doen. Moeten ze maar meer vet en suiker eten. En minder bewegen.

Nadat ik mijn verhaal in het kort verteld heb, bladert de nieuwe, mooie dame uitvoerig door mijn inmiddels duimendikke dossier, perst haar lippen in een clowneske plooi, kijkt me doordringend aan en zucht daarna luid en duidelijk. Dan wordt het stil. Ik wacht op haar vermeende expertise in deze materie. Ik denk dat ik u een anti-viraal middel ga geven, zegt mijn nieuwe dokter enigszins twijfelend. En toch ook de anti-biotica erbij, besluit ze ferm.

Maar, begin ik vastbesloten niet met alles genoegen te nemen, dan komen we toch nooit te weten welk middel er geholpen heeft? Als het al een oplossing zou bieden. Daar had ze zelf nog niet aan gedacht, te oordelen aan de stand van haar neus. Misschien niet, antwoordt ze. Weet je wat, ik ga een  corticosteroïd geven. Daar kan ik me wel in vinden. Het is in ieder geval eens wat anders dan die vervelende ab, waarnaar mijn rancuneuze bacteriekolonie inmiddels een lange neus maakt.

Tot ik thuis ben. En ik de bijsluiter lees en herlees, er lustig op los google en verdrietig moet vaststellen dat dit goedje vele malen heftiger werkt dan zijn ab-vrindjes. Vaak voorkomende bijwerking: glaucoom en staar. Beide onomkeerbare processen. Mijn conclusie staat vast. Ik weet wat ik heb, ik weet niet wat me te wachten staat als ik aan dit gemene flesje begin. Laat me maar zien waar mijn scheepje strandt.

Dat gebeurt al snel na deze gedachte. Mijn rebelse oog protesteert zo mogelijk nog harder, nu ik mijn bootje dwars op de wind laat dobberen. Het prikt, het brandt, het traant, alsof alle staafjes, kegeltjes, zenuw- en epitheelcellen zich verenigd hebben in een revolutionaire opstand. Zwaar weer aan de horizon! En ik weet niets anders te verzinnen dan opnieuw koers te zetten richting oogarts.

Aldaar aangekomen meen ik een meewarige blik in haar eigen helder-stralende ogen te bespeuren. Ze snapt het, zegt ze. En: wat een vervelende toestand toch. Opnieuw perst ze haar lippen op elkaar. Om te besluiten met een opmerking die ik tot op dat moment nog geen enkele medicus heb uit horen spreken: ik weet het niet. Ik voel me gehoord, zoals ik voorheen nog nooit gehoord ben! Wat een openbaring. We keuvelen gezellig verder hoe we verder gaan. Zij zet haar bevindingen op papier, ik ga op zoek naar een collega, die bekend in met de relatie oogproblemen en auto-immuunziekten.

Er is nog niets verbeterd aan de mistroostige habitat van mijn linkeroog. Maar mijn wankele vertrouwen in de vaandeldragers van onze gezondsheidszorg heeft zich inmiddels, ingegeven door het empatische, meedenkende gedrag van mijn nieuwe jeugdige oogdokter, wel in belangrijke mate weten te herstellen. Daar ben ik blij om. Misschien zelfs nog wel blijer dan met een geneesmiddel. Maar zoals het een onvervalste criticus als ik betaamt, blijf ik een scherp oogje in het zeil houden. To be continued ….

Ziek

Ziek

Ik voel me al wat beter vandaag. Minder ziek. Geloof ik. Correctie: ik wíl het geloven. Dus geloof ik. Of zoiets. Bovendien snak ik naar zuurstofrijke boslucht. Ik vraag aan mijn heertje G. (vroeger duidde ik hem als de Man, maar sinds de transitie van Blogger naar WP is ook hij getransformeerd) of hij ook trek heeft in een fijn wandelingetje. Dat heeft hij. Is het erg koud buiten, vraag ik hem. Hmmm, is het antwoord. Mijn G. is een pragmaticus. Altijd op zoek naar helderheid en transparantie.

Naar buiten

Met mijn kruin net boven de kraag van mijn warme jas uit, stiefel ik snel richting automobiel. Het bos ligt nu eenmaal niet in mijn achtertuin, dus zijn we genoodzaakt een tiental kilometers te overbruggen. Brrrr, ik vind het helegaar niet aangenaam, die venijnige Zeeuwse wind die langs mijn lichtelijk verhitte lijfje blaast. Enfin, ik ben nu eenmaal op weg, dus doorzetten maar.

Blaffende zeehond

We koersen richting Poelbos, alwaar ik direct na het uitstappen constateer dat die rotwind ook hier doet waar-ie goed in is: snerpen, striemen, fluiten. Meteen na de eerste bocht, begin ik opnieuw het gedrag aan te nemen van een ouwe zeehond met pseudo-kroep. Kef. En nog eens kef. Dan: blaf-blaf. Blaf-blaf-blaf-blaf. Heertje G. loert bezorgd naar me. Teruggaan, seinen zijn ogen. Inmiddels naderen we de rand van het bos en kijken we uit over vers geploegde Zeeuwse akkers. Zwarte, vette grond met diepe groeven. Normaliter een prachtig gezicht, maar nu even niet. We besluiten terug te keren naar het windvrije interieur van ons autootje, waarna we een tochtje maken door de zak van Zuid-Beveland.

We tuffen over de met populieren begroeide bloemdijken; doorkruisen wegen met luisterrijke namen als Kaneelpolderdijk en Siguitsedijk en hoewel de slee- en meidoorn momenteel geen weelderige bloemen dragen, blijven de binnendijken robuuste getuigen van hun langdurige strijd tegen het water. Een monumentaal landschap, waar binnen het in de zomer goed fietsen of wandelen is.

Na een klein uurtje houden we het voor gezien. Er wacht nog een lijstje boodschappen die gehaald moeten worden. Want ziek, zwak of misselijk: er dient natuurlijk wél gegeten te worden. Ik heb een preischotel met ham en kaas in gedachten. Recept volgt.