Ergens kaas van gegeten hebben

Ergens kaas van gegeten

Vanwege het willen maken van een recept van Ottolenghi, waarin Taleggio verwerkt zit, snel ik vandaag rond 14.00 uur nog gauw even naar vriendje Appie. Want vriendje Jumbo wist zelf niet eens dat het kaas was. En omdat Appie net een tikkie minder wereldvreemd tegen onze multi-culturele samenleving aan kijkt (lees: erop inkoopt) denk ik er zeker van te zijn het recept vandaag met de juiste ingrediënten te kunnen bereiden. Ze zullen aldaar vast ergens kaas van gegeten hebben.

Na een vijftal minuten in de kaasvitrine te hebben gekeken, vraag ik aan de schattige juffrouw met de lange, golvende haren en wimpers van drie meter lang: “heeft u ook taleggio?”
“Tagliatelle”, antwoordt ze met uitgestrekte vinger, “dan moet u bij de pasta zijn”.
Geheel tegen mijn zin en mijn tempo in, blijf ik kalm.
“Nee, ik bedoel taleggio, geen tagliatelle”.

Juffrouw schudt vastberaden met haar manen. “Nee, die heb ik niet”.
Maar ze verkeert in een positieve mee-denk stemming (kaas is tenslotte toch alleen maar bedoeld om de zaterdag tussen 8 en 5 door te komen en denken is minder vermoeiend als lopen) en vraagt: “wat is het voor kaas?”.
“Italiaanse”, zeg ik.

Ah, het lijkt erop alsof haar plotseling iets te binnen schiet. Ik krijg weer hoop. Misschien staat er wel vijf kilo taleggio achter in het magazijn, die vanmiddag is binnengekomen en nog uitgestald moet worden.

Jongedame buigt zich echter nadenkend over de Parmezaanse kaas.
“Dit lijkt er op, dat weet ik bijna zeker”, giechelt ze. Met haar mooie, donkerbruine kijkers kijkt ze me vol vertrouwen aan. “Toch?”

“Ik denk het niet, hoor. Parmezaanse kaas zit al in het gerecht. Nu zoek ik nog taleggio om te laten smelten bovenop”.

De interesse van de jongedame lijkt nu echt gewekt. Ze gaat er zelfs van op één been staan. Met een hand in haar zij gooit ze ondertussen achteloos heur haardos  naar achter.
“Waar is het dan precies voor, mevrouw?”
Daarbij trekt ze een gezicht alsof ze een wandelende culinaire encyclopedie is.

“Voor gevulde portobello’s. Van Ottolenghi”, zeg ik er lief achteraan, me terdege bewust van het feit dat deze jongedame wel iets beters te doen heeft met mannen, dan er recepten van na te maken.
Gehaast voeg ik er aan toe: “ik denk dat ik die buffelmozzarella maar meeneem, die smelt ook goed”.

Vanaf dat moment komt ze echter pas goed op stoom.
“Nee hoor, mevrouw, mozzarella smelt juist helemaal niet. Dat wordt een beetje een compacte massa. Echt waar”. Haar hoofdje schudt driftig heen en weer.

Diep in mij begint er een schaterlach op te borrelen Ik pers mijn lippen op elkaar om het meisje niet in verlegenheid te brengen, maar kan het niet nalaten om te lispelen: “op mijn pizza’s smelt die buffelmozzarella toch echt geweldig”.

Verbijsterd kijkt ze me aan. Ik zie haar denken. Een pizza, dat is toch zo’n ding uit een kartonnen doos, gebracht door een slanke, gebruinde jongeman op zo’n scooter met een kist achterop? Iets met tomaat, salami, olijven en een gebruinde bovenkant, maar toch niet met zo’n witte bol er bovenop?

Ik laat haar in complete verwarring achter, als ik de mozzarella én een stukje chaumes uit de vitrine pak.
“Nou, succes dan maar”, kwettert ze vrolijk. “Ik hoop dat het goed komt”.
Hoor ik daar iets van meewarigheid in haar stem?

Het is een lief kind. En het komt allemaal goed met haar. Ik weet het zeker.

(Bron foto: Sligro)

Smaak van vroeger

Smaak van vroeger

Wie herinnert zich nog de smaak van vroeger? Wie van jullie weet er nog hoe de eerste chips smaakten? Die kleine zakjes, met zo’n van donkerblauw papier gevouwen buideltje erbij, waar het zout in zat. Het zelf kunnen bepalen van het zoutgehalte van je chips … was het geen revolutionaire uitvinding voor die tijd? Kom daar anno 2013 maar eens op. De chips van vandaag zitten niet alleen in monsterzakken en smaken niet meer naar aardappel, maar naar Joppiesaus of erger nog: Japanse teriyaki; ze zijn anno 2013 gemeengoed geworden; een soort van veredelde lunch.

 Op hun verpakkingen staan schreeuwerige teksten die ons moeten doen geloven dat chips eigenlijk heel verantwoord kunnen worden ingepast in ons dagelijkse eetpatroon. En dan liefst zo’n giga monsterzak in één keer. Was vroeger dat ene ieniemienie zakje met aardappelchipjes een ware traktatie op feest- of hoogtijdagen, vandaag de dag is het het alternatief voor een bruine boterham met kaas geworden. Ofwel: hoe diep kan de mens zinken? Maar goed, ik had het over smaak dus.

Die donkerbruine, bijna bittere korst van de ontbijtkoek. Kun jij hem nog herinneren, die smaak van vroeger? Dat was koek zoals koek hoorde te smaken. Plakkerig aan de randen, beetje droog van binnen en niet echt superzoet te noemen. Als ik vandaag een plakje ontbijtkoek proef (van een willekeurige fabrikant) is het niet alleen mierzoet, maar heeft het tevens een dermate hoog plakgehalte dat ik bijkans de kiezen niet meer van elkaar krijg. De smaak van suiker (lees: glucose/fructosestroop) overheerst. Rogge, waar ontbijtkoek toch in eerste instantie van gemaakt dient te worden, is nog maar mondjesmaat aanwezig.

Pindakaas, ook zoiets, wie is er niet groot mee geworden? Als je de pot opendeed, zag je als eerste een dikke laag olie, die je vervolgens met enorme krachtsinspanning door de pindakaas moest zien te roeren. Kleine moeite, groot genoegen. De pindakaas van vandaag kent geen olielaagje, dat hebben de jongens en meisjes van de voedingsmiddelenindustrie er stiekem doorheen gedaan. Dat is raar, want pinda’s bevatten van nature al genoeg verzadigde en onverzadigde vetzuren.

Blijft de vraag: waaróm willen de producenten van pindakaas het percentage pinda’s verminderen? Het antwoord is simpel. Alles draait om geld. Pinda’s zijn duurder dan goedkope, minderwaardige vetten die vaak per bulk worden aangevoerd en waarvan de herkomst vaak onbekend is. Bovendien is de producent al helemaal niet verplicht op het etiket te vermelden wat voor soort vet het is. Lekker makkelijk allemaal. Op de plaats waar vroeger de pinda zat, stopt men nu inferieure vetten. Vervolgens zorgen gewiekste reclameschrijvers ervoor dat de consument als vanzelf gaat geloven dat die toevoegingen juist heel erg nodig zijn om de smeerbaarheid, smaak en gladheid te verbeteren. Zo gaat dat in het moderne productieland.

De smaak van vroeger

Chips. Ontbijtkoek. Pindakaas. Allemaal met de smaak van vroeger. Het is slechts een greep uit de producten waar ik met verlangen op terugblik. Van dit alles is niets meer over. De jongens en meisjes van de levensmiddelenindustrie voelen zich kennelijk in staat om te beoordelen hoe wij onze producten willen eten. Door onze smaakbeleving onder druk te zetten, gaan wij vanzelf wel wennen aan de smaak die zij bedacht hebben. Dat is de filosofie van elke ontwikkelaar. Dat er ook mensen zijn die nooit wennen aan té zout, té vet, té zoet, doet er niet toe. Zij zijn een verwaarloosbaar klein gedeelte van het totaal aantal afnemers. Commercieel gezien totaal niet interessant.

Vanaf vandaag wil ik zo af en toe eens wat van die moderne wanproducten onder het vergrootglas leggen. Niet alleen om te ageren tegen de misleidende reclames, maar veel meer om mezelf scherp en alert te houden. Ik hoop van harte dat ik jullie hiermee weet te inspireren om zo af en toe ook de door jou gekochte voedingsproducten eens kritisch tegen het licht te houden. Wat heb je precies gekocht? Maakt de producent waar wat er op het etiket vermeld staat? Is er sprake van misleiding? Kun je het niet even gemakkelijk vervangen door een zelfgemaakte versie? Wat doet die kunstmatige rommel in een product?

Vragen in overvloed. De heldere antwoorden erop worden nog te vaak door op geld beluste producenten onder het vloerkleed weggemoffeld of in de doofpot gestopt. So: be continued …..

Zout gegeten

Zout gegeten

Sinds gisteren heb ik een verhoogde bloeddruk. Dat komt niet zomaar uit de lucht vallen. Ik consumeer graag hartigheden, maar zo zout gegeten als gisteren heb ik het nog niet veel eerder. Er gebeurt van alles binnen een tijdsbestek van enkele uurtjes. Bloeddruk stijgt, hartslag versnelt.

Het begint met een paar telefoontjes. Bij de apothekersassistente heeft de lente al duidelijk toegeslagen. Op uiterst opgewekte toon vertelt ze me dat er besloten is mijn medicatie tegen een te hoog cholesterol te verhogen van 10 naar 40 mg. Wat zegt u? Nieuw protocol? Nederlandse Vereniging van Huisartsen? Onderling overleg? Met wie? Niet met mij, dacht ik. Zeggu? U belt nu toch om het uit te leggen? *knars*

Zout gegeten

Tring. De energieleverancier vraagt waarom ik van die abnormaal hoge meterstanden heb doorgegeven. Ben ik wellicht een wietplantage begonnen?
Huh? Waar hééft u het in hemelsnaam over? Ik noteer de meterstanden en neem die over op de mij toegezonden kaart. Maar zal ik u een eindje op weg helpen? Heeft u al gezien in uw scherm dat uw netwerkbeheerder vorig jaar tarieven en meterstanden heeft omgewisseld en mij na een klachtenprocedure van circa 5 maanden in het gelijk heeft moeten stellen? Zou het wellicht daarmee te maken …… etc.  Het wordt verdacht stil aan de andere kant. *zucht*

Op pad dan maar. Wat frisse lucht zal me goed doen. Eerst groente voor vanavond. Bij de geitenwollensokken toko ligt de verlepte sla treurig naast de fris bruin opgekrulde andijvie en de ernstig gerimpelde pastinaken. Geen groente, ook goed. Daar zullen ze vrolijk van worden thuis, nu de vleesconsumptie ook al naar dramatische dieptepunten is gedaald. Op deze manier wordt het wel een erg povere maaltijd.

Nog meer zout

Bestelling ophalen. Kostprijs: iets meer dan een brood. Wat zeg ik? Meer dan honderd broden. Nog niet binnen? O. Het beeldscherm geeft geen antwoord, ook al kijkt de gelgekuifde jongeman er langdurig naar. Vijf volle werkdagen om van filiaal naar filiaal te vervoeren? Is dat gebruikelijk? Kweeteigenlijknie, antwoordt het menneke, terwijl hij een overdreven belangstelling aan de dag legt voor een piep die uit zijn broekzak lijkt te komen.*slik*

Broek voor de Man. Ik moest vroeg in het seizoen komen, zeiden ze. Ziet u de sneeuwvlokjes op mijn jas misschien? Dit heet vroeg. Oké. Kijken. Beeldscherm er weer bij. Moeilijke maat, die 47. Lengtemaat hè, lacht het meisje vrolijk, uw man heeft lange benen. Kijk, zo leer ik weer wat bij na 33 jaar samenzijn. *grmpfff*

Teveel zout

Nog niet aangetast door de schade die hoge bloeddruk kan veroorzaken, haal ik mijn kortingscheque van het luchtjesparadijs (Hier Parijs, Hier Parijs) tevoorschijn. In een uiterst persoonlijke brief laten zij weten dat ze, speciaal voor mij, een schitterende aanbieding hebben. Wow, mijn polijstmiddel voor de helft van de prijs, mét glim-glimtasje en nog wat mooimakertjes. Da’s pas boffen. Ik moet wel snel komen.

Uitverkocht, roept het blozende appelwangetje. De eerste dag al. Denk niet dat het nog komt. De empathie van het verse plamuurwerkje is aandoenlijk. Onlangs genoten verkooptrainingen staan gebeiteld in haar omhoog wijzende mondhoeken. De klant heeft altijd gelijk. Ook als hij geen gelijk heeft. Ik probeer nog te mompelen dat ik, onder mijn vermomming, feitelijk gewoon  Antoinette Hertsenberg ben, maar voel tegelijkertijd de eerste druppels van de bui al langs mijn nek glijden.

Met enige weemoed laat ik de tijd van twintig jaar geleden de revue passeren. Toen muntjes nog gewoon bij een spaarbank konden worden gestald, om het daar na verloop van tijd weer op te halen, inclusief een paar handjes extra. Hoe men (lees: ik)  daarna naar de winkel snelde om te luisteren naar wat een enthousiaste verkoper mij allemaal te vertellen had, een weloverwogen keuze te maken om thuisgekomen nog dagenlang in de wolken te zijn met het recentelijk aangeschafte product. Alles deed het; alles was prima in orde, alles was zoals ik verwacht had.

Het is inmiddels jaren geleden dat ik mij in de wolken voelde met een aankoop. De zachte, witte wolken van weleer hebben plaats gemaakt voor dreigende donderwolken. Wolken waar je hoge bloeddruk van krijgt.

Terrasjesweer

Terrasjesweer

Hoe zat het ook al weer met die economische barometer in Nederland? Slecht, toch? Dalend tot onder riskante grenzen, omdat de consument weinig tot geen centen wil uitgeven aan allerlei luxe-producten? Met een horeca die steen en been klaagt omdat de klant liever een blikje fris en een klef broodje meeneemt als proviand om zich tijdens hun fiets- of wandeltocht te kunnen voeden en laven. Bovendien kent Nederland veel te weinig dagen met terrasjesweer, menen zij.

Dat in ogenschouw nemend, kunnen jullie mij misschien helpen het onderstaande te verklaren. Ik begrijp er niets meer van. Luistert en huivert ….

Op deze zonovergoten vrijdag voor het drukke Pinksterweekend besluiten Man en ik een fietstochtje door het Zeeuwse landschap te maken. Onze eerste pleisterplaats hadden we gepland bij http://www.arcenbleu.nl/2010 . Dit hotel met bijbehorend terras oogde eerder aangenaam mediterraan, een perfecte locatie voor een dorstlessende tussenstop.
Onder de grote parasols is het plezierig zitten. Man en ik zijn wel de enige gasten, maar dat wijten we aan eerdergenoemde feiten.

Opgewekt keuvelen we een tijdje. Over de bosrijke omgeving. En over de prettige stoelen. Maar ook: hoe de terugtocht te plannen. Want als een mens zich voor even kan onttrekken aan zijn dagelijkse bezigheden, wordt zelfs iets onnozels als een  kilometerpaaltje kinderlijk-prettige gespreksstof. Ondertussen nog steeds geen bediening. Wij zijn optimistisch en neuzelen nog wat door, niet van plan ons middagje te laten vergallen. Wachten. Niets. Wachten met kijken naar de uitnodigend openstaande terrasdeuren. Geen mens te zien. Speuren naar een bel. Wachten nog even.

Even maar, want uit Man’s oren beginnen er zich gaandeweg kleine wolkjes stoom te ontwikkelen. Hij loopt resoluut door de openstaande terrasdeuren …… door het restaurantgedeelte ….. door naar de bar …… niemand, nobody, nadie, non unum. Bijzonder eigenaardig, een hotel-restaurant dat zich één dag voor een overvol weekend, niet druk maakt om eventueel nieuwe of te vroeg gearriveerde gasten.

Terrasjesweer

Enfin, het is niet onze boterham die belegd moet worden, dus vervolgen Man en ik onze weg. Even verderop lag er toch nog een leuk terrasje? We vinden het in minder dan een kilometer. Wederom lege stoeltjes. Desondanks nemen we hier plaats, want onze kelen hebben ondertussen het karakter van grof schuurpapier gekregen en bovendien geven wij niet graag toe aan toevalligheden.

Opgewekt keuvelen we een tijdje. Over de bosrijke ……. o nee, dat was bij een vorige gelegenheid. Wat we dan doen? Wachten. En nog langer wachten. En de niet aanwezige menukaart bestuderen. Is dit anno 2012 de trend in de horeca? Moet de klant een koelboxje openklappen en daaruit zijn gevoeg tevoorschijn halen? Om daarna, als er na lange tijd misschien toch nog eens iemand van de bediening verschijnt, te zeggen: dank u, ik hoef niet, ik ben al voorzien?
Man wandelt opnieuw door de terrasdeuren naar binnen. Een schrijf- en telefoonmeneer achter een desk kijkt verbaasd op. “Ik wil graag iets bestellen op het terras”. “O”, is het antwoord. “Ik zal iemand roepen”.

Even later verschijnt er een zwartgeklede jongeman met puntschoenen. Zonder enig woord van begroeting, kijkt hij mij afwachtend aan. Beleefd onderdruk ik de tomeloze en spontaan opkomende behoefte om champagne met kaviaar te bestellen, fijntjes vergezeld van de opmerking: “Man en ik hebben iets te vieren”.

De jongeman herhaalt verveeld: “koppie thee en een espresso”. Juist. Dat is wat we willen. En warempel, na een aantal minuten verschijnt het mannetje met dienblad en theedoos. Zijn aangeboren wantrouwen ten opzichte van theedrinkers is overduidelijk: hij klapt de theedoos open en opnieuw wordt diezelfde afwachtende houding aan de dag gelegd. Ik moet een keuze maken onder het toeziend oog van een schoolverlater met puntschoenen. En wel nu meteen. Ik houd er niet van. *Zucht*.

Pickwick thee hier. Not my cup of tea. En Peeze espresso, die de Man wel kan bekoren. Het glaasje water mag hij erbij verzinnen. De vriendelijkheid trouwens ook.
Ik klamp me vast aan het prettige terras, omzoomd met cirkelvormige heggetjes. En aan de luxe van een lange dag vrijaf. Met zon. Veel zon. Want die is gelukkig vandaag wél in een hemelsblauw humeur.

Pijnboompitten

Pijnboompitten

Jullie kennen waarschijnlijk het verhaal van de pijnboompitten. De bolvormige, dikke soort (de Chinese) geven een bittere nasmaak in de mond die bij sommige mensen dagenlang kan blijven hangen. Alles wat je daarna eet wordt overheerst door die vieze, bittere smaak. Je kopje koffie kan er zelfs van tegenstaan. De Schoonzus heeft het aan den lijve ondervonden en heeft het als een verschrikking ervaren. De puntige, langwerpige pijnboompitten zijn van Europese herkomst en daarvan valt niets te vrezen.

Vandaag wilde ik verse pesto maken. Dit keer zou niets of niemand mij nog een oor aan naaien (er staan er immers al twee); uitsluitend de Europese mochten mee naar huis. De drie Islamitische winkels in mijn buurt vielen af. Ik had het (vooringenomen) idee dat zij eerder Chinees spul zouden verkopen dan hun collega-supermarkten.

Op weg naar de supermarkt met de geleende naam van een olifant. Aangekomen bij het schap zuidvruchten, pitten en noten sloeg de twijfel reeds toe. Waren deze in het transparante doosje nu echt langwerpig? Hmm, moeilijk, moeilijk. En wat hadden ze een verdacht gele kleur. Uiteraard geen enkele informatie over de herkomst op het etiket re vinden. Doosje terug in het schap. Op naar de concurrent met de duurdere prijzen.

Pijnboompitten bij de Appie

Appie had op liefst drie plaatsen (winkelinrichters hebben psychologie gestudeerd) zijn pitten verstopt. Handig voor de klant die nog snel voor de avondmaaltijd zijn boodschapjes moet doen. Maar dat terzijde. Mooi, met drie verpakkingen kon ik tenminste écht aan het vergelijken slaan. Maar hoe goed ik ze ook bestudeerde, in alle drie de zakjes zag ik eeneiige tweelingen zitten. Identiek aan elkaar dus.

Geen zinnig mens is in staat om de zon met een andere zon te vergelijken. Domweg omdat er geen ander exemplaar voorhanden is.  Qua kleur waren ze echter allemaal wel  bleker dan degenen in de Olifanten supermarkt en dat leek mij een goed teken (zie foto boven). Vooruit met de geit dan maar, naar huis en pesto draaien, desnoods met Chinese pitten. Soms moet een mens beslissingen durven nemen.

De pesto lukte goed. Héél voorzichtig nam ik een klein theelepeltje ervan. Lekker! Het theelepeltje werd een eetlepel. Geen smaakafwijkingen tot dan toe. Er begon niets te branden op mijn tong, er was geen bittere smaak, het was eigenlijk gewoon superlekker!

Wat blijft is de twijfel. Heb ik nu Europese of Chinese pijnboompitten gebruikt? Als ik wel Chinese heb gekocht, ben ik er dan misschien ongevoelig voor? Of zijn er wellicht verschillende soorten Chinese? Waren de pitten die de bekende nare smaak veroorzaakten vervoerd in verontreinigde containers? Kwamen ze uit een bepaalde streek? Bestaat er een combinatie van voedingsmiddelen waardoor de bitterheid  de overhand krijgt? Heeft de ene mens meer of andere smaakpapillen dan de andere?

Vragen. Vragen. Zoveel vragen. Mijn oproep aan iedereen: kan er iemand uitsluitsel geven omtrent deze vervelende kwestie? Liefst met duidelijke foto’s, zodat vergissen bij de aankoop onmogelijk wordt? Want zeg ik nou zelf: met een hoofd vol vraagtekens achteraf  heb je alsnog een vervelende nasmaak.

Over Iberico en scharrelende slagers

Iberico koteletjes

De slager bij mij in de buurt gelooft stellig in zijn vak. Als verkoper, wel te verstaan. Precies dat is wat hij wil: verkópen. En wát hij precies verkoopt, maakt hem niet zo gek veel uit. Alles waar vraag naar is, ligt in zijn vitrine. Bijzondere specials heet dat dan. Als ik echter een smakelijk stukje ongemarineerd Iberico vlees vraag, geeft hij niet thuis.

Wat die zogenaamde specials aangaat: ik ben er niet nieuwsgierig naar en word er al helemaal niet hongerig van. Bijzondere namen wekken de suggestie de producten naar een hoger plan te kunnen tillen. Boomstammetjes. Pepersteaks. Pomodori haasjes. Het is niets anders dan bewerkt, vooraf gekruid en/of gemarineerd vlees. Gemaksvoer voor de “snelle eters” van vandaag. Het smaakt zout of pittig (of in het ergste geval zout én pittig tegelijk), dus is het lekker.

De Moderne Mens zit echter vreemd in elkaar, want naast het gemaksvoedsel is er momenteel ook een hang naar voedsel dat smaakt zoals het hoort te smaken. Biologisch en ambachtelijk, dat zijn de termen van vandaag. Aangezien de mens van vandaag de gehele wereld doorkruist, ziet, hoort en proeft hij van alles op vakantie, wat hij thuis op de bank ook wil eten. Iberico-vlees bijvoorbeeld. Veelal gegeten op doorreis in Spanje en Portugal. Mals, smakelijk vlees.

Dat komt omdat de varkens ter plekke vrij kunnen rondscharrelen De Ibérico varkens worden in het voorjaar met fris gras gevoed. In de zomer krijgen ze een mengsel van gerst en tarwe te eten. En in de herfst, wanneer de eikels van de bomen vallen, eten ze daarvan liefst tot 10 kg per dag! Bovendien zorgt het vele bewegen ervoor dat het vlees een nootachtige smaak krijgt en dat er vet in het spiervlees wordt opgebouwd. Juist in het vet wordt de smaak geconcentreerd. Kortom: vlees zoals het vroeger smaakte.

Back to Basic is hip. En de slager bij mij in de buurt wil meegaan met zijn tijd. Dus ging hij Iberico vlees inkopen. De eerste paar weken wist ik niet wat ik zag! Hier, bij mij om de hoek, Iberico koteletjes! Enfin, Man en ik aten onze buikjes rond. Tsjonge, het vet droop langs onze kin, maar lékker …..

Totdat de slager merkte dat de omzet van zijn Iberico vlees niet zo hoog was, als hij had berekend. De gemiddelde klant vond het er nogal “gewoontjes” uitzien. Daar had de slager bij mij in de buurt wel wat voor! Chimichurri bijvoorbeeld. Tex-Mex. Shoarma. Tok-Tok. Curry. Tandoori. Roept u maar!

Zo werd de authentieke vleeskleur netjes bedolven onder een rode, gele of groene smurrie. De omzet steeg. Zowel de slager als de klanten waren tevreden.
Behalve dan die ene klant, in de vorm van mijn persoon. Het zijn vergeefse pogingen als ik voor de zoveelste keer informeer of er Iberico-koteletjes naturel zijn. Nee, mevrouw, alles op en hij wijst nadrukkelijk naar zijn vitrine. Ik moet ze bestellen, vindt de slager bij mij in de buurt. Dan kan hij er rekening mee houden dat ik ze “anders wil dan anders”.

Bestellen. Ja, ja. Zo gaat dat bij de slager van vandaag. Als je gemalen, kruidige, peperige, pittige, in dikke saus verpakte of van exotische namen voorziene vleesachtige dingen wil, kun je aanschuiven in de rij. Maar als je een stukje normaal vlees wil, is de slager bij mij in de buurt niet thuis. Toch gek.