De Rode Draad

Het rood van aardbeien

Het is vandaag rood, rood en nog meer rood. Deze dag kent de rode draad. Al vroeg in de morgen staat er een alleraardigst koeriermeisje voor mijn deur. In haar hand een doosje gekoelde aardbeien. Sweet Eve, een nieuw ontwikkelde vrucht die zich moet onderscheiden van haar soortgenoten. Geteeld op smaak. Volzoet en aromatisch zijn ze, volgens de meegeleverde folder.

Nu ben ik geen professor in de Aardbeikunde. Gewoonlijk vertrouw ik simpelweg op mijn trouwe smaakpapilletjes. Ooit ben ik een loyaliteitsverdrag met deze bondgenoten aangegaan. Zolang zij geen juichende of uitbundige signalen in mijn mondholte afvuren, blijf ik wie ik ben. Een verdraaid kritische consument. En tot mijn spijt moet ik jullie vertellen dat de termen volzoet en aromatisch ook bij deze rooie nieuweling niet worden waargemaakt. Deceptie alom.

Er blijken in deze moderne tijd geen aardbei meer geteeld te kunnen worden die dezelfde smaaksensatie teweeg brengt als die van pakweg 25 jaar geleden. Op ons postzegelformaat moestuintje van weleer, plukten we de heerlijkste vruchten, waaronder bessen, bramen en frambozen. En tevens waanzinnig smakelijke zomerkoninkjes. Corona heetten ze. Of Senga Sengana. Vol overgave lagen ze daar, op hun bedjes van stro, te soezen in de zon tot ze volgroeid genoeg waren om geplukt te worden. Dat deden we met zachte hand. Want o, wat waren ze fragiel en sappig deze beitjes. Met het verrukkelijke aroma van échte aardbeien.

Natuurlijk weet ik dat deze corona niet voldoet aan de huidige eisen van de producent. Ze zijn slechts beperkt houdbaar en dus niet rendabel. Tussen producent en consument ligt al snel een logistiek traject van drie à vier dagen. En tja, dan zijn die superzachte corona’s natuurlijk allang tot moes verworden. Maar er is meer aan de hand. De meeste fruitsoorten hebben volle grond nodig. Waarom? Een goede bodemsamenstelling bevat mineralen die middels de sapstroom in het fruit terecht komen. Hierdoor krijgt elke vrucht “terroir”, ofwel je proeft overduidelijk de bodem erin terug. Het is eigenlijk zo’n beetje hetzelfde als met bepaalde soorten wijn of kaas: je bent er een liefhebber van of niet. In ieder geval is het een onmiskenbaar onderdeel van de kwaliteIt.

Een tiental minuten internet-speurwerk leverde het volgende resultaat op. “De Sweet Eve aardbeien worden op een substraat in de buitenlucht geteeld. Hierdoor kunnen ze gedurende het Nederlandse seizoen langer en constanter worden aangeleverd dan de aardbeien van de volle grond.”
Goed, ik weet voldoende. Het is het zoveelste product dat in de markt gezet wordt middels een grootscheepse marketingcampagne. Leuk bedacht, maar het heeft een verhullend effect op de uiteindelijke smaak. En die smaak … was dat nu eigenlijk niet de essentie van het hele verhaal? Jezelf als producent onderscheiden doe je niet door een strakke promotie, een innovatieve verpakking of een leuk naampje. Hoe vaak moet het nog gezegd worden? Het is slechts de smáák die blijft hangen. Niet meer. Niet minder. Ho effe, *steekt beide handen in de lucht* don’t shoot the messenger.

Gelukkig was er nog meer rood vandaag. Honingzoete, biologische cherrytomaatjes van kwekerij Zuidbos in Noordgouwe. Hoewel ik de truc van het drogen al een flink aantal keren had toegepast, moet ik toegeven dat het geheugen van een mens soms gelijk staat aan een emmer met een gat erin. Van boven komen er telkens nieuwe dingen bij en aan de onderkant loopt het er in een gestaag tempo weer uit. Dank dus aan Tessa van I am cooking with love voor de reminder. Dankzij haar heb ik opnieuw een fikse pot homemade gedroogde tomaatjes in mijn fridge.

 
 
 

Over agenda’s en verteringsproblemen

Agenda

Ik heb nog een Succes agenda. Zo’n exemplaar in een namaak krokodillenprint, voorzien van vier ijzeren ringetjes in zijn binnenste. De bedoeling is dat je er bij elk vers aangebroken jaar ook een verse navulling in doet. Aan dat soort onzin doe ik niet. Ik gebruik mijn trouwe agenda niet om afspraken in te noteren, maar alleen als opslagmedium. Mijn hele hebben en houwen zit erin. Van lang vervlogen menstruatiecycli tot overzichtelijke rijtjes Hb-waarden. Van cryptisch verstopte pincodes, het telefoonnummer van mama’s glazenwasser tot de kleurnummers van alles wat in ons huis geschilderd is. Volgekrabbeld en beduimeld is hij me heilig.

Ik heb ook een telefoon. Met een hoorn en druktoetsen ernaast. Een welhaast uitstervend item in een modern huishouden. Toch wil ik hem voor geen goud missen. En zeker niet inruilen voor zo’n onstabiel hoorntje, waarin alles voorgeprogrammeerd staat.

Zulke dingen dus.  Maar omdat een mens van vandaag niet van het modern geplaveide padje mag raken, heb ik ook een smartphone. Zo’n ding waarmee je niet alleen de wegenwacht kan bellen, maar die tevens je exacte locatie erbij geeft. Tevens ben ik in het bezit van een Google account, zo af en toe deponeer ik volstrekt onnozele zaken op Facebook en ik ben zelfs in het bezit van een digitale agenda annex takenlijst. M.a.w. Ik probeer dapper de weg te vinden in het inmiddels totaal overwoekerde social media woud. Heel doeltreffend allemaal. Ik zie ook heel veel mensen om mij heen die nóg meer van dit soort onmisbaarheden met zich mee sjouwen, dag in, dag uit. Permanente bereikbaarheid heeft de schijn van gouden bergen. Kortom: wij zitten vandaag de dag tot over onze oren in allerhande communicatiemiddelen.

Anno 2014 ligt het dan ook in de lijn der verwachting dat middels al die high-tech apparaatjes onze communicatie soepel en gladjes kan verlopen. Het blijft wat mij betreft bij verwachten. Teveel deksels op de neus, te veel verzuchtingen etc. Luistert en huivert.

Met enige regelmaat wil ik, net als iedereen, opheldering over een onduidelijke alinea in een aan mij gericht schrijven. Dus neem ik de telefoon ter hand teneinde de Iemand te spreken te krijgen die onderaan de brief vermeld staat. Zij zetelen altijd in grote Betonnen Blokken, maar middels doorkiesnummers is dat heel handig navigeren.

Aan de andere kant van de lijn hoor ik een andere naam. Nog tamelijk opgewekt zeg ik dat ik eigenlijk Iemand aan de lijn verwachtte. Die Ander zegt dat Iemand een vrije dag heeft. Of pauze heeft. Of in vergadering is. In het ergste geval is Iemand telefonisch in gesprek en wordt er een terugbelnotitie gemaakt. Ik word nooit teruggebeld.

Een dag later probeer ik opnieuw Iemand te bellen. Wederom een Ander, overigens weer een Ander dan de eerste Ander, die mij te woord staat. Vandaag is de hele afdeling gesloten wegens opfriscursussen.

Daarna wordt het wekenlang een herhaling van zetten, tot ik op een godzijgeprezen dag Iemand daadwerkelijk haar naam hoor noemen. In mijn verbeelding zie ik haar met opgetrokken teentjes en wapperende handjes druk doende om haar nagellak te laten drogen. Vervelend, zo’n rinkelende telefoon….

Ik: In uw brief stelt u dat A x B de som C oplevert. Ik kom echter op een heel ander bedrag. Kunt u mij eens uitleggen hoe u aan dit bedrag komt?

BB: Dat komt zo uit de computer, mevrouw.

Ik: Dat begrijp ik. Maar laat ik mijn vraag anders stellen: welke parameters gebruikt de computer en wat is de berekeningsmethode?

BB: Geen idee, mevrouw. Ik heb daar geen zicht op. Is dat erg belangrijk voor u?

Ik: Euhhh, kunt u dan misschien iemand geven die daar wél zicht op heeft?

BB: *lichte zucht* ik verbind u door met een senior medewerker. Heeft u verder nog vragen?

Ik: Even niet, nee. Dadelijk misschien als uw collega mijn eerste vraag beantwoord heeft.
* drie jengelmuziekjes en exact acht minuten later *

BB: mijn collega is in gesprek. Zal ik haar op een ander tijdstip terug laten bellen?

Twee weken later, het is vrijdagavond tegen zessen, belt de senior medewerker.
Het is niet alleen het tijdstip, het is tevens haar lijzige stem die verraadt dat ze een eenzame vrijgezel is. Ze begint het gesprek met zich te excuseren voor het ietwat vreemde tijdstip. Aan het eind van haar relaas wenst ze mij en de mijnen, op een toon die overloopt van meelijkwekkende treurnis, vooral een er-rúg fijn weekend toe. Daartussen heeft ze een ellenlange stroom geneuzel uitgekraamd, waar ik, met één hand in de ragout roerend, geen touw aan vast heb kunnen knopen.

In het kort komt het erop neer dat zij heel goed kan begrijpen dat ik het niet snap. Het is ook behoorlijk ingewikkeld. Het computertijdperk en zo, weetuwel. Goh, laat ik nu net gedacht hebben dat ons gehele leven er door de digitale ??er juist veel eenvoudiger door geworden was. Nee, dat ontkent de senior medewerker ten stelligste. De output is vaak nog teveel afhankelijk van de input. Juist.

Twee weken later, precies op het moment dat ik denk nooit meer een levensteken uit het Betonnen Blok te zullen ontvangen, rinkelt mijn telefoon. Ik geloof mijn oren niet als ik de persoon aan de andere kant een wel erg bekende naam hoor zeggen. Het is Iemand. Van haar collega’s heeft ze begrepen dat ik met vragen zit. En ze weet ook al wélke vragen dat zijn. De antwoorden heeft ze eveneens paraat. Die raffelt ze af, alsof ze een nieuwe recordtijd “moeilijke klanten zo snel mogelijk tevreden stellen” wil vestigen. Ik maak me drukker dan nodig is voor een dergelijke kleinigheid. Pinda’s, dat zijn het. “Maar het is in jullie nadeel”, opper ik nog plichtsgetrouw. “Het is goed, mevrouw. Het zit op deze manier in de computer, het is echt goed zo”, roept ze me toe.

Drie maanden later ontvang ik een brief. Afzender: Betonnen Blok. In de brief worden excuses aangeboden vanwege een fout in het berekeningsprogramma. Onderaan vind ik een herberekening. Die klopt tot drie cijfers achter de komma. Met mijn eigen berekening van ruim vier maanden geleden. Plus het verzoek of ik het teveel betaalde z.s.m. wil terug storten.

Ik neem er notitie van. Zet het in mijn agenda. Maar eerst stort ik me in een vergadering. Daarna in een opfriscursus. En jeuh …. dan heb ik drie weken vakantie. Als ik daarvan eenmaal terug ben, ga ik uiteraard eerst en vooral mijn agenda er op naslaan. Oeps, er valt een los blaadje uit. Dat kan wel weg, geloof ik …..

Waarom, mevrouw Eetplezier, plaatst u dit alles op een blog dat toch voornamelijk over eten en drinken gaat? Omdat een mens sterk, héél sterk in zijn schoenen dient te staan om dergelijke gebeurtenissen mentaal te kunnen verteren. En wat doet iemand die sterk wil zijn/worden? Juist, spinazie eten! Daarover meer in mijn volgende blog.
 

Over ziek zijn en beter eten

Er moet mij iets van het hart. Omdat ik de laatste tijd een aantal zaken tegen kwam die ik met de beste wil van de wereld, niet kon begrijpen. Het bleef spoken in mijn hoofd en daarom wil ik het hier kwijt. En misschien ook wel met de ijdele hoop dat ik hiermee een héél klein steentje kan bijdragen aan veranderingen in ons armetierige gezondheidszorgland. Over ziek zijn en beter eten.

Gezondheid is een groot goed. Als je de pech hebt die, al dan niet tijdelijk, te moeten ontberen, kom je geheel automatisch in een afhankelijke positie terecht. Wij hebben met z’n allen instituten bedacht, waarin wij hoogopgeleide mensen laten werken met de bedoeling de zieke mens opnieuw beter te maken. Lukt dat niet, dan hebben wij een vangnet bedacht. Verzorgings- of verpleegtehuizen noemen we die. Daarbinnen creëren we banen voor beduidend minder hoog opgeleide mensen, met als enig doel de chronisch zieke in leven te houden. Veel meer houdt het niet in, helaas.

Tot dusver goed doordachte plannen, zou je zeggen. Op papier klopt dat ook wel. In de praktijk ziet het er heel wat minder rooskleurig uit. Iedereen snapt, dat wanneer een mens zich niet lekker voelt, er een onmiskenbare hang naar zijn vertrouwde comfortzone ontstaat. Een antiek voorbeeld daarvan is de Joodse penicilline (kippensoep). Van oudsher wordt deze heilzame soep gegeven aan den zwakke mensch. Naast zijn vermeende geneeskrachtige werking, is zo’n dampende kop goudgeel vocht licht verteerbaar, smaakvol en zelfs een beetje gezond. Hoe beroerd je je ook mag voelen, elk mens kikkert van een hartig slokje soep wel een beetje op.

Hoe deplorabeler onze gezondheidstoestand, hoe meer behoefte we krijgen aan een zekere mate van welbevinden. Logisch, want een mens heeft van nature de neiging om te gaan compenseren. Gaat het één niet zo lekker, dan wijken we met enige gretigheid al snel uit naar iets anders.

In de bovengenoemde instituten beheersen ze dit soort logica kennelijk niet. Mede foodblogger Paul Oosten lag liefst 33 dagen in het St. Radboud met een ernstige bacteriële infectie. Hij kreeg niet één fatsoenlijke maaltijd, waardoor zijn gewicht afnam en hij bijkans reikhalzend uitzag naar de door het bezoek meegebrachte maaltijden.

De Koningin der Broodbakkunst, onze eigen Levine van Doorne, overkwam hetzelfde. Met een ernstig gehavend been raakte zij, totaal onverwachts, in het ziekenhuis, waarna ook zij vanaf dag 1 tot het oordeel kwam dat geen enkele warme haar kon bekoren. Duffe, smakeloze happen, zeer waarschijnlijk allemaal samengesteld uit prefab fabricaten. Om over het brood nog maar helemaal te zwijgen, hè Levine? Gelukkig waren er ook hier bereidwillige hulptroepen die haar voorzagen van allerhande lekkers.

Jazeker, er valt te twisten over de definitie van een fatsoenlijke maaltijd, maar persoonlijk houd ik het even hier op: een bordje eten dient dusdanig smakelijk te zijn dat een niet al te fitte mens deze zonder afkeer of gevoelens van walging weet weg te slikken. Om aan te sterken. Ofwel om het gewicht én de algehele conditie op peil te houden. Of gewoon om een klein stukje oraal welbehagen te verkrijgen, waar alle andere leuke bezigheden node ontbeert worden. Of simpelweg omdat het moet kunnen: een lichte, smaakvolle maaltijd aan te bieden aan een ieder die vanwege gezondheidsproblemen overgeleverd is aan de zgn.” steriele systemen”.

Mijn tante Toke verblijft momenteel in een verzorgingstehuis. Ze is dementerend en ook haar fysieke toestand verslechtert snel. Hierdoor gaat het wassen/aankleden/opstaan steeds moeizamer, dus vindt de verzorging het wel gemakkelijk om haar in bed te houden. Ik lieg niet.

Bed. Ziek. Pijn. Ongemak. Slecht slapen. Frustratie. Noodgedwongen moeten liggen in een omgeving die niet de jouwe is, met links een buurvrouw die een groot gedeelte van de dag tientallen luidruchtige  bezoekers om zich heen heeft en rechts een snurkende buurman die zich overdag de meest gruwelijke details weet te herinneren over – precies! – jouw aandoening, valt het niet mee om positief te blijven.

Op zulke momenten blijft er echt niet veel méér over dan het gebruik van onze vier speciale zintuigen. Zien. Horen. Ruiken. Smaken. En dan kan ik met de beste wil van de wereld niet begrijpen dat al die grootgutters in de gezondheidszorg kennelijk geen weet hebben van dit soort basale behoeften. Alsof zij nooit ziek op bed gelegen hebben. Alsof zij te allen tijde energiek en topfit, als een soort van robot, door het leven kuieren. Nooit een dip, nooit een pijntje, dus ook nooit hevige verlangens naar een beetje troostvoedsel.

Als voorbeeld mijn tante Toke weer: uitzicht op een saaie muur. Nergens een rustgevend muziekje. Het lekker geurende zeepje is vervangen door geïmpregneerde, reukloze wasdoekjes. Om het maar niet over de maaltijden te hebben. Dankzij Paul en Levine denk ik te weten hoe deze eruit moeten zien. De ter plekke aanwezige drank bestaat uit de standaard-uitrusting: koffie, thee, sinaasappel- en appelsap. En water. Dat mag ze zoveel drinken als ze zelf wil. Probleem is alleen dat ze zelfs dat niet eigenhandig kan pakken. Kleinigheidje ….

Het mag duidelijk zijn: ik pleit voor een meer klantvriendelijk beleid  binnen de gezondheidszorginstellingen, met name op het gebied van de voeding. Dames en heren uit deze branche: trek dit op uw fatsoen. Maak uw zieke medemens niet ondergeschikt  aan uw systeem, maar heb aandacht voor persoonlijke wensen. Iemand die gewend is grof desembrood te eten, scheep je niet af met een kleffe deegflap. De dag beginnen met een gezonde smoothie, is voor veel mensen intussen gemeengoed geworden. Zo niet in een ziekenhuis. Rauwkost à la minute bereid. Halal. Biologisch. Vegetarisch. Het moet toch allemaal mogelijk zijn?

Een zieken- of verzorgingshuis is Nederland is immers geen veldhospitaal in oorlogsgebied. Het is in veel gevallen een uitstekend geoutilleerd gebouw, gevestigd in een geciviliseerd land, voorzien van ultramoderne medische apparatuur en optimale expertise in de vorm van gespecialiseerd  personeel.
Wat zegt u? Een beperkt budget voor voeding? Misschien valt er winst te halen bij de salarissen aan de top? Of bij de karrenvracht medicatie die weggegooid moet worden als de patiënt het ziekenhuis verlaat? Ziekenhuizen zijn vrijwel volledig autonoom en ondervinden weinig externe druk om hun financiële beleid kritisch te bekijken.
Op http://www.rekenkamer.nl/Publicaties/Onderzoeksrapporten/Introducties/2013/10/Transparantie_ziekenhuisuitgaven kun je er meer over lezen.

Zou ik ooit in een zelfde bed komen te liggen als de personen hierboven, dan weet ik nu al waar ik in ieder geval over zou fantaseren. Zoete, schuimende milkshakes. Partjes koele watermeloen. Versterkende bouillonnetjes. Luchtige, hartige taartjes. Korstloze, geroosterde, witte boterhammetjes met dik roomboter en frambozenjam. Split-ijsjes. Een schuimomelet met groene kruiden. Gepocheerd kabeljauwstaartje met een vlinderlichte mosterdsaus. Smeerkaas op superdunne crackers.

Ik mag hopen dat ik tegen die tijd omringd ben door mensen die met liefde voor mijn inwendige gesteldheid zorg dragen. Zodat ik géén aardappelplaksel, geen slap supermarktbrood, doorgekookte groenten of klonterige sauzen tot me hoef te nemen.

Blauwe Maandag

Blauwe maandag

Of het fenomeen Blauwe Maandag echt bestaat, durf ik niet te beamen. Vanzelfsprekend is er ieder jaar een maandag die valt in de laatste volle week van januari, maar of het dan expliciet de meest deprimerende dag van het jaar is, valt ten zeerste te betwijfelen. Naar mijn idee mist deze bewering elke wetenschappelijke basis. Voor mij persoonlijk zijn de maanden december en januari één lange, aaneengeregen ketting van laaghangende bewolking. Intussen heb ik geleerd ermee om te gaan. Blijven lachen is het devies. En dat werkt prima voor mij. Humor heelt.

Blauwe Maandag

Hoe dan ook: vandaag is het opnieuw zover. Blue Monday. Je wordt vandaag miskend, je portemonnee is hartstikke leeg, al je goede voornemens lijken gedoemd te mislukken, de eerstvolgende vakantie duurt nog minimaal vier maanden, er is geen sprankje zon te bekennen en je dient, ondanks al deze rampspoed, ook nog eens gewoon om half acht acte de presénce te geven bij je werkgever. Kan het erger? Nee Zet u schrap voor elke minuut, elke seconde die zich vandaag doet gelden.

Leo Bormans (1954) denkt daar allemaal heel anders over. Hij noemt zichzelf geluksambassadeur en is ervan overtuigd dat het gevoel van persoonlijk welbevinden voor een deel maakbaar is. Door ons denkpatroon te laten domineren door positivisme, wordt het gevoel van geluk (of tevredenheid) veel sneller ervaren dan wanneer we alsmaar aan het doemdenken slaan. Blauwe Maandag ontspruit tussen onze oren.

Hij stelt: “er is één geluksformule die klopt: 50% is genetisch, 10% is bepaald door omstandigheden zoals je job, huis en geld, en 40% heb je zelf in de hand. Een lottowinnaar blijkt snel op zijn vroegere niveau van geluk terug te komen, of eronder te duiken. Iemand die verlamd raakt in een ongeval komt na een tijd weer op z’n vorige niveau, of hoger. Met andere woorden: externe omstandigheden bepalen veel minder je geluk dan je kijk erop”, benadrukt hij ferm. “We focussen ons te veel op die 10%, zijn jaloers op anderen, terwijl we het vergelijkingspunt in onszelf moeten zoeken. Je bepaalt zelf dat het glas halfvol is.”

Meer optimisten dan pessimisten

Hoe komt het dan toch dat wij met z’n allen zoveel somberheid uitstralen? Waarom laten we ons de vage praatjes van een Blue Monday aanleunen? En hoe komt het dat het straatbeeld grotendeels wordt bepaald door een haastig voortsnellende mensenmassa, stuk voor stuk voorzien met naar beneden wijzende mondhoeken? Bormans stelt dat er – gelukkig –  nog altijd meer optimisten zijn dan pessimisten. Alleen maken de pessimisten veel meer lawaai, zodat zij de optimisten weten te bedelven onder één lange, rumoerige klaagzang.

En hierdoor laten wij ons, samen met allerlei andere negatieve invloeden, veel te snel beïnvloeden. We durven of willen niet meer vertrouwen op onze eigen geest die heel goed in staat is alles wat neigt naar negativiteit om te buigen naar vrolijker zaken. Geluk heeft niets van doen met goudkleurige toverstafjes of zoetgevooisde, harp spelende engeltjes. Het gaat ook vooral niet over meer, meer en nog meer. In feite gaar het zelfs helemaal niet  over dingen, het gaat over mensen. Het gaat met name ook vooral niet over jezelf, het gaat over anderen. Over samenzijn. Over delen. Mensen ervaren een gelukzalig gevoel als ze met anderen iets gemeenschappelijk hebben. Door te delen worden we gelukkiger. Bormans gelooft stellig in deze bewering.

Positieve psychologie

Was in vroeger tijden de zoektocht naar geluk duidelijk verweven met religie en filosofie, vandaag is het een heuse wetenschap geworden. Positieve psychologie is al een studierichting in de VS en Engeland. Het zou volgens Bormans heel snel ook in onze landen een erkende opleiding moeten worden. Hiermee ontstaat de mogelijkheid om met behulp van parameters onze mate van welbevinden meetbaar te maken. Door middel van tips en tricks van zgn. geluksprofessors kan ons leven dan op een eenvoudige wijze zachter, milder en vooral vrolijker ingekleurd worden.

Tja, ik ben onder de indruk van dit soort wijsheden. Vooral nu het ondertussen 16.00 uur is geworden en het grootste deel van de dag als zand door mijn handen is weggeglipt. Zonder al te veel kleerscheuren. Of dramatische zelfmoordpogingen. En vooral zonder in een oneindig vacuüm van neerslachtigheid te zijn beland. Ik leef nog!!! Hopelijk jullie ook. Nog slechts acht uurtjes te gaan. Morgen is alles anders. Ik beloof het jullie. Het wordt dan Dolle Dinsdag. Dikke pret, bomen die tot in de hemel groeien, roze brillen en trompetgeschal. Inclusief feesthoedjes en roltongen. En een mensheid die, zodra de wekker galmt, schuddebuikend zijn bed uitrolt. Ik verheug me er nu al op.

Meatless Monday

Meatless Monday

Naar aanleiding van het televisieprogramma De Wereld Draait Door college, waarin topkok Robert Kranenborg een culinaire ode bracht aan de Koe, haal ik onderstaand stukje van 29 juli 2011 opnieuw naar boven. Niet alleen omdat ik me helemaal kan vinden in de uitspraken van deze chef (weet wat je eet, kauw, eet minder maar beter vlees), waardoor het qua inhoud een bijzonder kritische en waardevolle uitzending werd, maar veel meer omdat in huize Eetplezier de vleesconsumptie sinds jaren niet zo laag is geweest. Ja, dat heeft natúúrlijk alles te maken met de talloze schandalen in de vleesverwerkende industrie en ook met een toenemend respect voor al het leven om ons heen. Ik ben intussen meer dan voor een Meatless Monday.

Naarmate het aantal gegeven jaren op deze aardbol toeneemt, krijgt het begrip sterfelijkheid steeds meer betekenis. En wil ik zuinig zijn op alles wat me dierbaar is. Dat geldt zeker voor al die oneindige, zwart-witte toonbeelden van Hollandsch welvaren die traag door oneindig laagland gaan (vrij naar Marsman).

Laten wij ze koesteren, die koeien. Laten wij kritisch blijven vragen naar de herkomst als we bij de slager een stukje vlees aanwijzen, laten we ook minder courante delen eten, maar laten we vooral de hoeveelheden vlees beperken. Twee keer per week is meer dan voldoende. Opdat de koe, het varken en de kip een dierwaardig leven kunnen leiden. Vrij, vrolijk, stressvrij, in nabijheid van hun soortgenoten. Geheel op een zelfde wijze, zoals wij, mensen, ook het liefst hun bestaan kleuren.

29 juli 2011 schreef ik dit:
De slager bij mij in de buurt gelooft stellig in zijn vak. Als verkoper, wel te verstaan. Precies dat is wat hij wil: verkópen. En wát hij precies verkoopt, maakt hem niet zo gek veel uit. Alles waar vraag naar is, ligt in zijn vitrine. Bijzondere specials heet dat dan.

Ik ben er niet nieuwsgierig naar en word er al helemaal niet hongerig van. Bijzondere namen wekken de suggestie de producten naar een hoger plan te kunnen tillen. Boomstammetjes. Pepersteaks. Pomodori haasjes. Het is niets anders dan bewerkt, vooraf gekruid en/of gemarineerd vlees. Gemaksvoer voor de “snelle eters” van vandaag. Het smaakt zout of pittig (of in het ergste geval zout én pittig tegelijk), dus is het lekker.

De Moderne Mens zit vreemd in elkaar, want naast het gemaksvoedsel is er momenteel ook een hang naar voedsel dat smaakt zoals het hoort te smaken. Biologisch en ambachtelijk, dat zijn de termen van vandaag. Aangezien de mens van vandaag de gehele wereld doorkruist, ziet, hoort en proeft hij van alles op vakantie, wat hij thuis op de bank ook wil eten. Iberico-vlees bijvoorbeeld. Veelal gegeten op doorreis in Spanje en Portugal. Mals, smakelijk vlees. Dat komt omdat de varkens ter plekke vrij kunnen rondscharrelen.

De Ibérico varkens worden in het voorjaar met fris gras gevoed. In de zomer krijgen ze een mengsel van gerst en tarwe te eten. En in de herfst, wanneer de eikels van de bomen vallen, eten ze daarvan liefst tot 10 kg per dag! Bovendien zorgt het vele bewegen ervoor dat het vlees een nootachtige smaak krijgt en dat er vet in het spiervlees wordt opgebouwd. Juist in het vet wordt de smaak geconcentreerd. Kortom: vlees zoals het vroeger smaakte.

Back to Basic is hip. En de slager bij mij in de buurt wil meegaan met zijn tijd. Dus ging hij Iberico vlees inkopen. De eerste paar weken wist ik niet wat ik zag! Hier, bij mij om de hoek, Iberico koteletjes! Enfin, Man en ik aten onze buikjes rond. Tsjonge, het vet droop langs onze kin, maar lékker …..

Totdat de slager merkte dat de omzet van zijn Iberico vlees niet zo hoog was, als hij had berekend. De gemiddelde klant vond het er nogal “gewoontjes” uitzien. Daar had de slager bij mij in de buurt wel wat voor! Chimichurri bijvoorbeeld.  Tex-Mex. Shoarma. Tok-Tok. Curry. Tandoori. Roept u maar! Zo werd de authentieke vleeskleur netjes bedolven onder een rode, gele of groene smurrie. De omzet steeg. Zowel de slager als de klanten waren tevreden.

Behalve dan die ene klant, in de vorm van mijn persoon. Het zijn vergeefse pogingen als ik voor de zoveelste keer informeer of er Iberico-koteletjes naturel zijn. Nee, mevrouw, alles op en hij wijst nadrukkelijk naar zijn vitrine. Ik moet ze bestellen, vindt de slager bij mij in de buurt. Dan kan hij er rekening mee houden dat ik ze “anders wil dan anders”.
Bestellen. Ja, ja. Zo gaat dat bij de slager van vandaag. Als je gemalen, kruidige, peperige, pittige, in dikke saus verpakte of van exotische namen voorziene vleesachtige dingen wil, kun je aanschuiven in de rij. Maar als je een stukje normaal vlees wil, is de slager bij mij in de buurt niet thuis. Toch gek, nietwaar?

Over belegde boterhammen en PR-bureaus

Old Amsterdam

Het overgrote deel van de persberichten die in mijn mailbox vallen, kent maar één doel: omzetverhoging van de producten zien te bewerkstelligen. Meestal gaat het over belegde boterhammen van de PR-bureaus zelf en niet die van mij. Een foodblogger’s hand is snel gevuld,  is het credo dat kennelijk in de wondere wereld van de PR wordt gehanteerd. Een gratis lunch, kortingsbonnen,  een ontmoeting met  bekende of minder bekende chefs, het kan allemaal geregeld worden, zolang het maar iets oplevert. Geen haan die kraait als er géén stukje over wordt geschreven op je blog, maar toch …. een gegeven paard etc. heeft zo zijn verplichtingen. Je zou je maar bezwaard kunnen gaan voelen door zoveel aandacht. En dat is nu exact waar de jongens en meisjes van de publieke relaties op inspelen: jouw zuivere geweten.

Aanbiedingen, kortingen, etentjes, ik negeer ze allemaal. Als er met mij samengewerkt wil worden, kunnen ze dat in gewoon Nederlands aan mij vragen. In heldere, duidelijke taal. Als een fabrikant hun product aan de man willen brengen mogen ze kiezen: ofwel ze huren een duur (professioneel) reclamebedrijf in ofwel ze benaderen een foodblogger en vragen in klare Jip- en Janneketaal om medewerking voor hun promotiedoeleinden. Blijft altijd nog de hoogte van de vergoeding een punt van discussie, maar er is dan wel een basis gelegd voor een “zakelijke relatie”.
Mijn ervaring is dat de meeste PR-bureaus zich nogal arrogant kunnen opstellen. Om nog maar te zwijgen van onderhandelen. Oké, eigen schuld, dikke bult. Ik hoef er niet van te leven. En zij hebben geen goedkoop promotiemateriaal. Lekker púh.

Gelukkig zijn er altijd uitzonderingen. Dat zijn de pakketjes die je mag ontvangen, zonder dat er iets van je verlangd wordt. Kadootjes uitpakken die onverwachts op je deurmat vallen, heeft iets magisch. Ook een speculatie, maar dan net effe anders. Menselijker, welwillender, met meer tactische benadering gebracht ook vooral. Wat ik er mee doe? It’s up to me. Vrijheid, blijheid.

Vanmorgen kreeg ik dit doosje. Gevuld met kaas. En laat mij nou toevallig een enthousiast gebruiker zijn van deze kaas. Omdat-ie zo lekker pittig is. Omdat-ie zo fijn raspt. Maar vooral omdat-ie zo authentiek naar káás smaakt. Kaas met karakter, zoals de fabrikant zelf beweert.

Ken jij iemand die óók karakter heeft en misschien ook wel zo’n leuk doosje wil ontvangen? Ga dan snel naar de facebookpagina van Old Amsterdam en geef de gegevens door van die persoon. https://www.facebook.com/OldAmsterdamKaas/app_560733787327525?app_data=eyJoZWFkZXJfdG8iOiJpbmRleFwvIn0=