Verbroken relatie

Geroosterde pompoenstukjes met peper en saus

Eindelijk is het er dan tóch van gekomen. Ik heb een verbroken relatie. Misschien omdat ik gisteren genoeg moed had verzameld. Of wellicht omdat het geschikte tijdstip ervoor lang geleden was opgeschreven in Het Grote Boek daarboven. Hoe dan ook: mijn al jaren voortsukkelende knipperlichtverhouding is verbroken. Het was nooit écht aan. Het was nooit definitief uit. Daar is sinds gisteren dan eindelijk na zoveel jaren van twijfel verandering in gekomen. Uit! Klaar! Over! Er is geen sprankje liefde meer te bespeuren tussen hem en mij. Voor altijd is onze moeizame relatie voorbij. En echt: het lucht op. Ik heb er vrede mee; alle vertrouwen ontbrak om in de toekomst nog iets van een stabiele verhouding in stand te houden.

O ja, ik weet dat hij op veel mensen met zijn stoere voorkomen een onuitwisbare indruk heeft achtergelaten. Hard van buiten, zacht van binnen. Met zijn fris-blozende teint wist hij zich bij velen in no-time enorm populair te maken. Een allemansvriend, een pleaser, dat was hij.  Nu ik geen enkele verbintenis meer met hem voel, is hij vogelvrij. Hij is van jullie! Geniet van hem, zoveel je wilt! Het kleine beetje liefde dat ik voor hem voelde, is voorgoed verdwenen.

Ons laatste rendez-vous werd gekenmerkt door zwijgzaamheid en lange tanden. Mijn lippen beroerde hem voorzichtig, hoewel er direct al iets van afstandelijkheid in de lucht leek te hangen. Hij had zó vreselijk zijn best gedaan voor me. Hij geurde verrukkelijk en had een pittig gebronsd uiterlijk, alsof hij net drie maanden aan de mediteranée had doorgebracht. Maar nee, toen ik voor de zoveelste keer een hapje uit hem nam, overviel me opnieuw die weeïge, structuurloze beleving. Zijn babyvoer-binnenste deed me walgen. Kordaat pakte ik hem op en kieperde hem met zijn hele familie erbij buiten. Hij komt er nooit, nóóit meer in. Nog honderden foto’s mogen voorbij trekken, waarop hij zich trots presenteert als een lekker hapje, ik zal nooit meer onder de indruk raken.

Verbroken relatie

Jullie snappen natuurlijk allang dat ik het over mijn ex-vriendje pompoen heb. Het is voorgoed gedaan met hem. Zijn laatste optreden was geïnspireerd op een foto + recept van Caroline. Om verliefd op te worden, zo begerenswaardig zag hij eruit! Alles zat erop en eraan, daar lag het allemaal niet aan. Het ligt aan mij. Ik wil crunch, bite, knapperigheid! Als ik dat element mis, gaan mijn gedachten als vanzelf richting Olvarite en ga ik me ook direct als een dwarse, tegendraadse peuter gedragen. IK WIL NIET MEER. Te lang heb ik me, als volwassen eter, beleefd tegenover hem opgesteld. Omdat ik niet wil discrimineren, omdat ik ruimhartig wil zijn, niet van dat benepene. Maar vanaf vandaag is dat dus over. Ik eet niets meer tegen mijn zin. Te beginnen bij pompoen.

Geroosterde pompoenstukjes met peper en saus

Mislukte mandarijn

Mislukte mandarijn

Afgelopen donderdag voelde ik me precies een Heilsoldaat, sjokkend van locatie naar locatie, met in mijn hoofd een strak omlijnde opdracht. Alleen had ik de gristelijke boodschap ingeruild voor een missie van meer culinaire aard. Geweldig, hoe ik toch altijd weer op dat triviale eten terecht kom, zonder enig besef van religieuze diepgang. Enfin.

Yuzusap, was mijn strijdkreet. Door de jarenlange speurtocht naar alles wat eetbaar én onbekend is, wist ik inmiddels dat een yuzu een citrusvrucht was. Een soort van mislukte Japanse mandarijn, met een heul bijzondere smaak. Chefs zijn er gek op. Ik kan jullie geruststellen dat naast de aloude appel en peer, óók de mango en lychee hier te midden van de vette klei en winderige dijken inmiddels tot grootgrutterswaar zijn opgeklommen. Zodra het vruchtje echter exotischer namen gaat krijgen, kruipt elke zichzelf respecterende groenteboer angstvallig terug onder die ene, grote steen, waar zo’n heerlijk gezapige Zeeuwse atmosfeer heerst.

Sap dan maar. Ooit ergens uit de vrucht geperst. In een  flesje gedaan en per vliegtuig of boot verstuurd naar oorden waar men dit soort zaken ontbeert. Speciaal voor mij, die dus op zoek is. Monter verkondig ik mijn bezielende boodschap,  om te beginnen bij meneer Appie. Ter plekke word ik te woord gestaan door een hardhorende dame. Pas na mijn derde, goed ge-ar-ti-cu-leer-de en van fonetische spelling voorziene poging, begint ze er iets van te begrijpen. Waarna ze onmiddellijk haar foon tevoorschijn haalt en de bedrijfsleider maant haar bij te staan. Hoofdschuddend zie ik hem naderen. Ik weet genoeg.

Op naar de concullega dan maar. Die wijzen nog net niet naar hun voorhoofd, maar staan me ook niet echt fatsoenlijk te woord. Je bent zo goed als je laatste klantvriendelijke opmerking, mompel ik in mezelf, terwijl ik haastig het pand verlaat. Ah, de Turkse winkel! Altijd goed voor alles wat niet Nederlands klinkt. Helaas.

Ook mevrouw Fatma kent het spul niet, maar neemt wel de moeite om het op te zoeken en mij door te verwijzen naar de Aziatische soepermarket. Omdat de doerian daar heel vaak nabij de ingang ligt, weet ik nooit goed hoe ik mijn ademhaling moet reguleren. Bovendien is het er altijd tropisch warm. Zo warm dat ik steeds meer begin te vermoeden dat het de bedoeling is dat Aziatische producten voorgekookt horen te zijn. Gelukkig kan ik gewoon mijn adem in blijven houden, aangezien twee bloedstollend mooie meiden achter de kassa kortaf Nee beginnen te roepen, lang voordat ik mijn mond heb open gedaan. Je maakt wat mee onderweg.

Gedesillusioneerd kom ik thuis. Zonder yuzusap. Dat wordt geen zalm vanavond. Waar heb ik dan dat vermaledijde sap precies voor nodig, hoor ik? Dat zal ik jullie vertellen. Een bevriende chef had bedacht dat wanneer je zalm marineert in een mengsel van Japanse sojasaus, yuzusap en sesamolie, daarna kort roostert en dat vervolgens drapeert op een bedje van sobanoedels, met flink wat gehakte bosuitjes, sesamzaadjes en een brunoise van tomaat erdoor, er een heerlijk licht gerecht ontstaat. Nu ben ik er veel te lui voor om reeds bestaande wielen te gaan heruitvinden. Als iemand dat al voor me gedaan heeft, vind ik dat een luxe waar ik met veel genoegen gebruik van maak.

En nu roepen jullie natuurlijk massaal: gebruik limoensap. Of citroen. Of mix desnoods mandarijn- met citroensap. Er zijn veel citrusachtige variaties mogelijk. Dat is waar. Alleen weet ik dan nooit hóe het gesmaakt zou hebben met yuzusap. Zonder vergelijkend materiaal deugt geen enkele stelling, orakelt de wetenschap mij voor. Voorlopig blijf ik daar dan maar in geloven, want intussen heb ik voor mezelf vastgesteld dat ik volstrekt niet pas in de rol van Heilsoldaat. Zonder positief respons op mijn boodschap ontwikkel ik boosaardige trekken. Bovendien zou ik waarschijnlijk toch maar in dat ene, gezellige kroegje blijven hangen.

Zomer in Zeeland

Zomer in zeeland

Hoewel het lijkt dat iedereen altijd en overal zit te dromen van een zomer in Zeeland, ben ik er altijd een beetje huiverig voor. Altijd weer een beetje blij als het einde nabij is. Over een kleine 24 uur is Zeeland weer gewoon Zeeland. De provincie die ontstaan is uit zee dat land werd. Land van vette klei en zuurstofrijke, frisse lucht. Lappendeken van polders en kwelders. Met Nehalennia als beschermvrouwe aan het roer. Waar nog rust heerst. En bovenal veel ruimte is.

In de periode juni – augustus ontbreekt het nogal aan dat laatste. Busladingen vol toeristen bezetten dan mijn stukje strand, crossen levensgevaarlijk ( waar zijn anders die helmen voor?) over mijn fietspad en dringen zich vooraan in de rij bij de lokale bakker. Het is niet leuk.

Versta me niet verkeerd: iedereen heeft recht op zijn eigen vorm van recreatie en vanzelfsprekend mag zich dat óók in mijn provincie afspelen. Graag zelfs, zo blijft de bodem van de Zeeuwse economie in tact. Gasten dien je in de watten te leggen, dat hoort bij goed gastheerschap, maar alleen als diezelfde gast zich ook daadwerkelijk gedraagt als bezoeker: met inachtneming van alle standaard fatsoensregels die gelden op andermans grondgebied. En daar wringt zich de schoen een beetje.

Zomer in Zeeland

Want hoewel het gros van de toeristen goed gemutst, correct en vriendelijk is en zichtbaar geniet van al het moois dat Zeeland te bieden heeft, blijkt er iedere zomer weer een kleine groep vakantiegangers die met een zekere hardnekkigheid onaangepast gedrag vertoont. Het voordringen bij de kassa is zo’n houding die ik uitermate irritant vind, evenals het niet netjes terugzetten van het mandje in de stapel. Een hele dag niets te doen hebben en toch haast hebben. Hoe krijg je het voor elkaar.

Ook leuk: in een verregaande staat van dronkenschap luidkeels gaan debatteren over volstrekt onbenullige zaken, precies onder mijn slaapkamerraam om half vijf in de morgen, om daarna lege blikjes in mijn bloembak achter te laten en nog wat maaginhoud op de straathoek. Als dank voor het verpozen.

Of op kilometers afstand achter je opdringerig geklingel horen, ten teken dat er iemand aankomt met een snelheid die het viervoudige bedraagt van jouw eigen slakkengangetje. Opgepast! Maak baan voor de elektrische fiets met vakantiegangers aan het stuur! Te herkennen aan identieke, sportieve outfit of, in het ergste geval zonnekleppen. Petjes met een klep. Het zou verboden moeten worden. Te oordelen naar de snelheid is het de gemiddelde toerist allang niet meer te doen om van het natuurschoon te genieten, maar moeten er knooppunten gescoord worden. Hoe meer, hoe beter. Zodat er ’s avonds weer een route afgekruist kan worden en ze Jan en Mien bij thuiskomst deelgenoot kunnen maken van hun barre tochten. Competitiedrang eindigt nooit. Zelfs niet in een tijd waarop je mag doen waar je zin in hebt.

Vlissingen is vol

Op een prachtige dag als vandaag, zou ik heel graag naar Vlissingen willen. Lekker slenteren over de boulevard, uitkijken over de zee met de schepen die de haven binnenvaren, maar inmiddels weet ik dat, wanneer deze gedachte bij me boven komt drijven, meerdere mensen hetzelfde idee hebben. Dus ga ik niet. Wetend dat mijn favoriete plekje aan het strand toch allang in beslag genomen is en dat ik zeer waarschijnlijk ook niet de enige ben die naar huis wil, als de zon eenmaal ten onder is gegaan. Kijk, als import-Zeeuw weet ik inmiddels wat te doen op zomerse topdagen als vandaag. Lekker tuus bluuv’n. En geduldig wachten op morgen. Want morgen … dan is Zeeland weer helemaal voor mij.

Inspectieronde

Inspectieronde

Ik heb het van mijn vader. Me slimmer voordoen dan ik in werkelijkheid ben. Noem het zelfverzekerd. Of gehaaid. Voor mijn part sluw. In ieder geval vond pap dat het aanleren van deze eigenschap hoorde in het totale opvoedingspakket.

We waren dikke maatjes, pap en ik. Als kind maakte ik “monstertochten” met hem: lange, avontuurlijke wandelingen die ons soms door onherbergzaam gebied voerden. Vaak stonden er aan het begin van dit soort percelen blauwe bordjes met daarop dwingende teksten als Eigen Terrein of Verboden voor Onbevoegden. Het deerde pap niet, maar ik vond het toch geen prettige gedachte een politie-agent of erger nog een politiehond achter ons aan te krijgen. Als ik daarvan met een bevend stemmetje melding maakte, zei pap steevast: “niet bang zijn, maatje. Je trekt gewoon je inspecteurgezicht als er iemand komt. Als je niets kwaads in de zin hebt, moet je vechten voor je rechten. De wereld is groter dan je denkt.” Door dit antwoord was ik altijd volledig gerustgesteld, ook al had ik toen nog geen enkel idee hoe een inspecteurgezicht er uit zou moeten zien.

In latere jaren heeft het me geen windeieren gelegd, mezelf de status aanmeten van inspecteur. De truc werkt (bijna) altijd. Zo ook vandaag. Ik had een flinke waslijst aan boodschapjes. Niet van die normale, alledaagse dingen, zoals groenten, fruit, aardappelen, maar meer van het type fotolijstje, pleisters, tabblaadjes agenda, verjaardagskaarten en magnesiumtabletten.

Bij de Xenos aangekomen (juist, fotolijstje) zie ik vanuit mijn ooghoeken een grappig kommetje in het schap. Prijs € 2,99. Een leuk hebbedingetje voor mijn verzameling props (lees: rekwisieten voor de foto). Ernaast een vrijwel identiek kommetje, in andere kleuren. Prijs € 4,99. Ik heb een poosje zitten turen, waar de verschillen precies in zaten. Ja, die kleur, dat zag ik. Voor het overige leken beide porseleinsoorten hetzelfde. Misschien was de kleur waar ik voor viel, niet helemaal anno 2015 meer, maar wat gaf ik erom? Tevreden koers ik met het kommetje richting kassa, zet het op het daarvoor bestemde plankje en zoek mijn portemonnee.

De kassadame spreekt daarop de magische woorden “€ 4,99 alstublieft”. Als ik het niet dacht! Opnieuw erin geluisd door die vermaledijde, schuifbare prijskaartjes op het schap. Gelukkig weet ik me snel te herpakken en geef in plaats van de gevraagde muntjes een stoer antwoord: “nee hoor, dit schaaltje kost € 2,99”.
Vermoedelijk heeft deze kastanjekleurig geverfde juffrouw in heur carrière nog weinig te doen gehad met assertieve consumenten die driftig met hun Radartas gaan dreigen als ze onheus bejegend worden, te oordelen naar de wijze waarop ze me aanstaart. Als een uil op een zieke koe, zeggen we hier op Zuid-Beveland.

Dit soort netelige situaties bestrijd ik standaard met de beproefde inspecteuruitdrukking. Ik kijk naar een punt ergens in de verte, zeg niet meer dan nodig en laat een vilein glimlachje rond mijn mondhoeken spelen. In het verleden mislukte dat nog wel eens, maar heden ten dage is pap in goed gezelschap van Antoinette Hertsenberg en haar kornuiten. De kassadame is inmiddels vertrokken naar het betreffende schap, met een kieskeurige inspecteur in haar kielzog.

Al heel snel wordt de sfeer wrevelig als ze diverse prijskaartjes van links naar rechts begint te schuiven, binnensmonds begint te  murmelen dat het verkeerde kaartje bij het product staat en ik plechtmatig begin te orakelen dat ik daar niets mee te maken heb. In mijn consument-kritische brein doemt de volgende tekst op. “In principe heb ik recht op aanschaf tegen de prijs waarvoor het product wordt aangeboden. De verkopende partij is verplicht om een dienst/product te leveren tegen de prijs waarvoor deze wordt aangeboden. Hierop is wel een uitzondering, bijvoorbeeld wanneer ik had kunnen vermoeden dat de verkoopprijs dermate laag was, dat dit logischerwijs kon weten dat dit fout was. In dit geval is er sprake van een zogenaamd “gerechtvaardigd vertrouwen bij de koper” (art 3:35 BW).”

Intussen zijn kassadame en ik weer aangeland bij haar elektronische telmachine. Er verschijnt een stropdasman ten tonele. Vermoedelijk heeft hij meerdere interne cursussen  timemanagement gevolgd, aangezien het maar twee seconden duurt alvorens hij zijn verdict uitspreekt: “geef maar mee voor die prijs”. Zijn dwingende blik verraadt nieuwsgierigheid naar de persoon die zo moeilijk doet in zijn winkel over wat luttele eurootjes.

Dan volgt er een openbaring, die van dit hele geneuzel toch nog iets positiefs weet te maken. Tot dat moment had ik in mijn hele leven geen juiste interpretatie gevonden bij het woord monkelen. Deze dame bij de kassa geeft er echter in haar volle glorie voor eens en voor altijd invulling aan. Haar hoofdje begint nerveus te schommelen. Van links naar rechts. Van rechts naar links. Naar boven. Naar beneden. Van die piepkleine beweginkjes, een beetje zoals die nep-teckeltjes van vroeger, die onze hoedenplanken bevolkten met hun schuddende koppies. Ken je ze nog? Haar ademhaling wordt opeens opvallend hoorbaar en haar oogleden plotsklaps loodzwaar. Zonder haar ogen op te slaan, werpt ze € 2,00 op het daartoe bestemde kunststof plaatje. Moeilijke klanten gun je geen blik waardig. Laat staan dat je je mond er voor open doet. Opzouten!

Bij de deur kijk ik nog een keer achterom. Op het achterhoofd van de kassamevrouw ontwaar ik dikke strengen  blond haar tussen de kastanjekleurige lokken. Ik wil haar toeroepen dat ze voortaan beter een spiegel kan gebruiken als ze heur haar gaat kleuren. Of een ander laat toezien dat de kleurstof zich gelijkmatig verdeeld heeft. Controleren heet dat. Of inspecteren. Ik heb me er in weten te bekwamen.

 

Gewassen lucht

In de zomer heb ik een fijn, koel huis. In de winter heb ik een fijn, warm huis. Een warm, maar wel heel droog huis. Een té droog huis misschien. Dat heeft verregaande gevolgen voor mijn eigen schamele onderkomen. Mijn eens zo strakgespannen babyvelletje begint na verloop van jaren een soort van mistroostig craquelé te vertonen, zoals bij een oud schilderij dat dringend restauratiewerkzaamheden nodig heeft. Verder willen na enkele uurtjes beeldschermturen mijn beide ogen niet meer links- of rechtsom. Een klein flaconnetje kunsttranen brengt weliswaar verlichting in dit totaal moderne ongemak, maar echt handig is het niet. En dan zwijg ik nog even over het hardnekkig kuchje dat zich met enige regelmaat tegen bedtijd aandient.

Ziet hoe daar een oplossing zijn intrede doet in de vorm van een Airwasher. Jawel, men kiepert er een halve emmer schoon water in, steke het watermonster in een deugdelijk stopcontact en voila, de atmosfeer wordt bevochtigd en gezuiverd. Een kek masjientje! En ik wil hem in mijn droge huisje.

Gewassen lucht

Mijn eigen handyman kijkt met een professionele blik in het apparaat en stelt het machientje in werking. Hup, meteen maar op stand drie. Van het ene op het andere moment verandert mijn vertrouwde kamer in een marinebasis, waar vandaan loeiende F-16’s opstijgen. Terugschakelen naar standje 1 dan maar. Dat klinkt beter. Opgelucht kijken we elkaar aan. Nu begint het grote wachten. De digitale hygrometer aan de wand geeft 42 aan. Ideaal is een vochtigheid tussen 55 en 60. Dat gaat met dit waterspuwende mormel zeker lukken, zeg ik tegen G. Meestal heb ik een groot vertrouwen in de hedendaagse machinerie. G. lijkt een beetje bedachtzaam te kijken.

De volgende morgen sluipen we nieuwsgierig de kamer binnen. Een beetje zoals twee kinderen die op 5 december verwachtingsvol op zoek gaan naar hun gevulde schoen. We hummen tevreden bij het zien van het cijfer 49. Het gaat de goede kant op. Nog even en wij zijn, tezamen met de complete inboedel, verzadigd door het vele vocht.

Hoewel? Nog voor de middagboterham heb ik G. al vier keer naar zijn knie zien grijpen. Enkele jaren geleden zijn daar in verval geraakte stukken menisci weggehaald (zoek maar op: meervoud van meniscus), en behalve af en toe een venijnige prik die veroorzaakt wordt door ronddolend zwerfvuil ter plekke, heeft hij daar weinig hinder van. Tot vandaag dus. Had er niet ooit iemand uitgevogeld dat vochtige omstandigheden een ongunstige invloed hebben op krakkemikkige gewrichten? Tsssssk.

Het verdict

Het machientje zoemt intussen lustig verder. Gerustgesteld vertrekken we naar dromenland. Om de volgende morgen te constateren dat het watermonster opnieuw vraagt om een liter water. Terwijl G. hem laaft, werp ik een onderzoekende blik in de spiegel. Nog steeds geen strakgespannen velletje. Ook mijn linkeroog vertoont wederom de typische kenmerken van een bandeloos leven gekoppeld aan een gigantisch alcoholprobleem. Inclusief het roken van drie pakjes zware shag per dag, te oordelen aan het kuchje dat ook weer van zich laat horen.

We moeten het de tijd geven, spreek ik plechtig tegen G. Het is meer bedoeld ter geruststelling, want ondertussen is de twijfel hevig toegeslagen. Waarom verdiep ik me in godsnaam in dit soort onnozelheden. Waarom moet ik alles uitkristalliseren, tot drie cijfers achter de komma. Ik lijk wel gek. Niemand heeft me ooit gezegd dat ik er als een gerimpeld appeltje uit zag, de kunsttranen zijn weliswaar nep, maar heel doeltreffend en het aanhoudende hoestje is gewoon een restantje verkoudheid dat moet slijten. En hebben wij onszelf niet al meer dan vijftig jaar zonder toegevoegde waterdamp in stand weten te houden? Nu heb ik een gulzig monster in huis, dat elke dag om water vraagt, om de veertien dagen een wasbeurt behoeft en een kapitaal kost aan middelen om zijn binnenste in optimale conditie te houden. Oppervlaktespanningverbeteringsmiddel.

Wat een toestand. Hoe langer ik erover nadenk, hoe nadrukkelijker de innerlijke strijd zich naar voren weet te dringen. Onwetendheid is een zegen.

Kunstig of niet?

Kunstig of niet

Laat ik het maar eerlijk zeggen: ik vind ze niet mooi. Sterker nog: ik vind ze oerlelijk. Kunstig of niet. Vooral wanneer de Zeeuwse velden, zoals vandaag, kaal zijn en de atmosfeer een trieste druilerigheid uitademt, waar zelfs het meest effectieve anti-depressivum niet tegen opgewassen is.  Alles lijkt op elkaar. En vloeit in elkaar over. Betonnen huizen die zich futloos tegen de grijze hemel aftekenen. Glimmende straten die zich meanderend een weg naar de duistere horizon banen.

Als ik ze hartje zomer passeer (en ik kom er behoorlijk vaak langs, aangezien ze slechts luttele kilometers van mijn huis en haard verwijderd zijn) dan nog vind ik het wanstaltige landschapsvervuilers, maar omdat ze dan omhuld worden door weldadige zonnestralen, ervaar ik ze als minder kwaadaardig. Op die momenten lijken ze minder vijandig mijn richting uit te prikken.

Kunstig of niet?

Ik heb het over het kunstwerk van de Duitse kunstenaar Michael Beutler. Negen bolvormige, betonnen sculpturen domineren het landschap tussen de noordkant van Goes en de van oorsprong agrarisch bedoelde Wilhelminapolder. Het is het grootste “land-art” kunstwerk in Nederland. Kosten € 550.000,00. Als je het vlug zegt, valt het best mee. Feit blijft dat ik met dit soort kunstuitingen geen kant op kan. Zelfs met de titel weet ik geen raad: Like suns setting three meters above true level. Maar wat wil de kunstenaar me daarmee in vredesnaam duidelijk maken? Dat er niveauverschillen zijn in het Zeeuwse landschap? Zijn er nog lieden die dat niet wisten na 1953? Staan de bollen symbool voor de opkomende zon? En wat heeft dat alles met de genoemde drie meter te maken?

Kunst is en blijft een lastig punt van discussie. Wat de één schitterend vindt, wordt door een ander met een achteloos “kan-mijn-kind-ook” afgedaan. Persoonlijk hecht ik erg veel waarde aan alle vormen van kunst, klassiek of modern, het maakt me niet zoveel uit. Zolang ik maar diep van binnen iets voel trillen. Dat kan schoonheid zijn, vaak ook eenvoud. Ik heb objecten moderne kunst gezien, die dusdanig abstract uitgevoerd waren dat er geen enkele associatie meer bestond met de werkelijkheid, maar die door hun pure eenvoud, kleurenspel of opbouw me toch wisten te raken.

Landschapsvervuilers

Genoemde bollen doen dat niet. Ik vind ze vervuilers van het weidse Zeeuwse landschap. Kunst in het landschap zou niet alleen organisch van vorm dienen te zijn, maar tevens uit organisch materiaal te zijn opgebouwd. Een mooi voorbeeld hiervan is dit:

dewachter

Kennelijk mist een kunstwerk ook zeggingskracht als er een lang betoog ter verduidelijking bij hoort. Zweverige bla-bla-verhalen zijn zo’n beetje het credo van elke moderne kunstenaar geworden. Volstrekt onnodige ballast, als je het mij vraagt.

Maar goed, Koninklijke Maatschap de Wilhelminapolder wilde samen met het Centrum voor Beeldende Kunsten Zeeland een opvallend en groots kunstproject binnen de gemeentegrenzen trekken. Dat hebben ze voor elkaar. Voor een half miljoen staat het daar nu, te midden van de Zeeuwse akkers. groots te wezen. Opvallend ook, jazeker. En wat mij betreft blijft het bij deze kwalificaties.

Wat vinden jullie eigenlijk van deze betonnen landschapskunst?