Bouwgeweld en vispotjes

Vispotje

Het druk hebben is niet erg. Van hard werken is er nog nooit een mens dood gegaan. Anders wordt het als je afhankelijk bent van derden die niet op tijd komen, gigantische bergen rotzooi veroorzaken en de boel de boel laten. Ik was voorbereid, maar niet op deze vorm van bouwgeweld.

Ons mam woont in een appartementencomplex met blokverwarming. Heel handig. Radiator aan = behaaglijke warmte. Radiator uit = lekker koel in huis. Tot zover mams gedachtegang. De verhuurder denkt daar heel anders over. Die begint over individuele combi cv-ketels die enorm veel rendement op zouden gaan leveren. Dat klinkt heel aantrekkelijk, ware het niet dat er tig leidingen gelegd moesten worden door alle vertrekken, plus een collectief afvoerkanaal voor de rookgassen met een diameter van zo’n 30 cm. Dwars door dikke betonlagen. En dat allemaal met starttijden rond 07.15 uur.

Ondanks veel protest van 72 medebewoners, kiest de verhuurder er voor het onzalige plan door te zetten. Democratie heet dat. Ons mam balanceert op de rand van een zenuwinzinking. Vanzelfsprekend. Manlief en ik verzekeren haar dat we stand-by zullen staan.

di 28 okt:
Ik maak een gigapan rijkelijk gevulde minestronesoep. Om mee te nemen. ’s Middags dekken we zoveel mogelijk onder om puin en stof te voorkomen. Meters stucloper worden uitgerold.
Dertig meter schilderplastic gaat over de meubelen.

wo 29 okt:
Mijn wekker gaat om 05.30. Na een snel ontbijt en een even snelle autorit zijn Man en ik om 07.30 bij mam. Wij wachten. Tot liefst 10.30. Intussen heb ik mezelf tot drie keer toe compleet opgegeten. Dan breekt een oorverdovend lawaai los. Overal in huis wordt de weg versperd door een bouwmannetje dan wel een bouwmasjientje. Mam zit in een stoeltje waar ze normaliter nooit in zit en kijkt me wanhopig aan. Dan klinken er paniekerige geluiden vanuit de hal. Er stroomt water uit een boorgat. Een van de bouwmannetjes wordt bijna geëlektrocuteerd en het water stroomt langs de naden van de stucloper in het tapijt. Gelukkig wordt het vanzelf avond en is er soep. Grote kommen troost in bange dagen.

do 30 okt
Ondanks eerdere afspraken gebeurt er niets. Mam baant zich strompelend een weg door haar half-ingepakte huis inclusief inboedel. Ik maak opnieuw een grote pan eten klaar. Voor morgen.

vrij 31 okt
De wekker begint er lol in te krijgen en laat nu om 05.15 uur van zich horen. Nog voor 07.30 uur zijn we in Roosendaal. Met de slaap nog in onze ogen, maar we zijn er, zodat Mam gerust kan zijn.
Een invasie van vijf man sterk neemt bezit van het huis. Overal loopt iemand. Met een boor. Of een buis. Een strip. Of een koppeling. En het gaat niet zachtzinnig. Rauwdouwers noemen we dit soort lieden in Brabant. De Man doet nog dappere pogingen op alle plaatsen tegelijk aanwezig te zijn, maar moet het opgeven. Ik neem Mam mee naar de stad. Puur voor de afleiding, want van gezellig winkelen is geen sprake als je weet dat je zorgvuldig opgebouwde huisje bijkans wordt afgebroken.

Als we thuiskomen is het bouwgeweld gelukkig verdwenen. Man fluistert me toe dat er nog net op tijd lekkage is voorkomen. Terwijl de cv-installatie operationeel werd gesteld, stonden de mannetjes rustig buiten tot er voldoende water in het systeem gelopen was. Gelukkig heb ik een man met een waakzaam oor die snel in de gaten had dat er iets goed fout zat. In allerijl wordt het complete systeem leeggepompt, waarmee een gigantische lekkage werd voorkomen. Hallelujah, geloofd zij de Heer!
Na het meeste puinruimen is er gelukkig hutspot met sukadelapjes.

Gisteren en vandaag heb ik me bezig gehouden met allerhande administratieve afwikkelingen. Schade claimen. Voorschotbedrag energie bijstellen. Klachtenbrief naar de verhuurder. Boilerhuur opzeggen. Handleiding klokthermostaat downloaden. En zo nog een aantal zaken.

Is er dan helemaal geen energie meer over voor een leuk receptje, vragen jullie? Jawel hoor. Ik plaats gewoon een ouwetje. Van een jaar of anderhalf terug. Een heerlijk, tijdloos vispannetje. Een makkelijk gerecht voor iedereen die geen bouwgeweld om zich heen heeft.

Ingrediënten: (voor 4-6 personen)
16 mosselen
12 grote garnalen
4,5 dl cider (of droge witte wijn)
50 gr boter
1 teen knoflook, fijngehakt
2 sjalotten, superdun gesneden
2 stengels bleekselderij, fijngesneden
1 dikke prei (alleen het wit) fijngesneden
250 gr champignons, in plakjes
1 laurierblad
300 gr zalm, in blokjes
400 gr tongfilet, ontveld, in blokjes
3 dl slagroom
3 eetl fijngehakte peterselie

Bereidingswijze:
Boen de mosselen schoon en verwijder zo nodig de baarden.
Verwijder exemplaren die zich niet sluiten als je ze tegen het aanrecht tikt.
Pel de garnalen en verwijder het darmkanaal aan de rugzijde.

Verwarm in een grote pan met zware bodem de cider of wijn tot het kookpunt.
Voeg de mosselen toe en kook ze afgedekt 3-5 minuten, waarbij je de pan af en toe omschudt.
Giet ze af (bewaar het kookvocht en zeef dit).
Verwijder de mosselen die zich niet geopend hebben.

Spoel de pan om en verhit hierin de boter op matig vuur.
Smoor de knoflook, sjalotten, bleekselderij en prei 7-10 minuten.
Voeg de champignons toe en laat de groenten nog 4-5 minuten sudderen.
Neem intussen de mosselen uit hun schelpen.

Schenk het mosselkookvocht bij de groenten, voeg de laurier toe en verwarm alles tot het kookpunt.
Voeg de garnalen de visblokjes toe en pocheer ze 3-4 minuten op laag vuur, tot de garnalen roze kleuren en de vis ondoorschijnend is.
Voeg de room toe en de mosselen en warm alles nog 2 minuten door.

Voeg naar smaak peper en zout toe.
Strooi vlak voor het serveren de fijngesneden peterselie erover.

Over gaten in mijn hart en legionella bacteriën

Bladerdeeg gevuld met groenten

De dag begint met het omgooien van een vol glas thee. Het roomwitte lopertje op mijn eetkamertafel neemt spontaan een bescheiden, doch duidelijk lichtbruine tint aan. Thee als kleurstof werkt reusachtig goed, is heel goedkoop en gemakkelijk te verkrijgen. Dat wist ik nog vanuit mijn hippiejaren, toen ik nog een zekere afkeer koesterde voor termen als Rust, Reinheid en Regelmaat. Veel te burgerlijk allemaal.

Chaotische wanorde overheerste mijn leven. Stapels vuile borden op het aanrecht. Strijkgoed dat nooit gestreken werd, maar vanuit de mand gevist werd om opnieuw aangetrokken te worden. Een niet zo erg kraakheldere witte was. Zo gebeurde het dat ik alles wat goor en “hontig” (= Brabants dialect voor alles was niet fris is) was, in een emmer water met theezakjes gooide. Mijn moeders goedkeuring heeft het nooit gekregen.

Intussen is alles goed gekomen met me. Ik slaap, ik poets, was, strijk en kijk regelmatig op de klok om te controleren of er nog geen maaltijd op tafel dient te verschijnen. Dat soort dingen doe ik tegenwoordig met het grootste gemak. Iets ontkleuren blijkt in de praktijk dan weer net iets minder gemakkelijk. Er moet een halve fles Vanish aan te pas komen om het kleed weer enigszins toonbaar te maken.
De wasmachine is al in gebruik, dus het centrifugeren moet handmatig gebeuren. Ook geen dagelijkse kost. Waarna mijn strakke dagschema dramatisch ontregeld is.

Dan gaat  de telefoon. Ik word gebeld door een vriendin die ik de dag tevoren on a very dull moment zelf had proberen te bereiken. Een voorbije vakantie moet besproken worden, vorderingen bij de fysio, de gezondheid van de kleinkinderen. Just talking ….. And talking.

Dan klingelt de bel. Een lange tijd verloren gewaand familielid staat breed lachend voor de deur. Natuurlijk ben ik blij. En al is het even zoeken naar de juiste toon die de muziek voor dat moment ondersteunt, we zitten genoeglijk aan tafel, nemen een eenvoudige lunch tot ons en babbelen over alles wat besproken dient te worden tussen mensen die elkaar lang niet gezien hebben.

Over gaten in mijn hart en legionella bacteriën

Opnieuw de telefoon. Het is mam die opgetogen melding doet van het feit dat een persoon haar salmonella onderzocht heeft. Huh??? “Even herhalen, mam, wát zeg je nu?” Het blijkt te gaan om een man. Een nette man. In een soort van blauw pak. Met een embleem. Nee, de naam heeft ze even niet goed gelezen. Wel dat hij een plastic flesje en een thermometer bij zich had en even naar haar boiler wilde kijken. O ja, hij vroeg ook nog of hij zich moest legitimeren. Dat hoefde niets van ons mam, want zulke mannen zijn te vertrouwen. Hij kwam van een bedrijf, dat zag je in één oogopslag. Zegt ze.

Aan alle kanten gaan er alarmbellen rinkelen. “Má-hám”, roep ik aangedaan, “hoe vaak heb ik je nu al niet gewaarschuwd voor dit soort trucs? Het kan net zo goed een crimineel zijn, die misschien nu niets heeft meegenomen, maar wel heeft kunnen rondkijken in je huis”. Aan de andere kant valt een stilte. Mam denkt na. “Alle deuren waren dicht”, zegt ze gedecideerd en hij heeft een flesje gevuld met water uit de keukenkraan”.

De kwartjes beginnen te vallen. Het vermoeden rijst dat het om een controle op de aanwezigheid van de legionella-bacterie gaat. Dan nog blijft de vraag: in wiens opdracht gebeurt dit en waarom is mam daar niet van te voren over ingelicht? Ik zet mijn Sherlock Holmes gezicht op en  start mijn onderzoek.

Om half vijf val ik in een groot, diep, zwart gat. De mannetjes die dagelijks zorg dragen voor een gestructureerd bio-ritme, besluiten op dat moment op de resetknop te drukken, waardoor de machinerie volledig down gaat. Gevoelens van allerhande aard buitelen over me heen. Na een aantal jaren met een haperend niveau aan oestrogenen begin ik het weliswaar te herkennen, maar een fijn gevoel is het zeker niet.

Ik kan wel janken. Natuurlijk doe ik dat niet. Ooit heb ik de hardnekkige stelling in  genomen, altijd tegen de stroom in te blijven zwemmen. Altijd. Wat ik dan wel doe is keiharde muziek op zetten, liefst met veel dramatiek erin verwerkt, dat zwelgt zo lekker. Passenger zingt en ik blèr mee ♪♪ Said we’ve got holes in our hearts, we’ve got holes in our lives we’ve got holes, we’ve got holes but we carry on ….♪♪

Wat ben op zulke momenten dankbaar dat ik nog een restje groentecurry heb staan van eergisteren. Dat ik in de vriezer van die kant en klare bladerdeegvellen heb liggen. Maar toch vooral  dat er een Man is die van dit alles fraaie hapjes in elkaar weet te fröbelen. Kruidig,  lekker  warm en vooral troostrijk. Een hapje troost doet wonderen, merk ik. Tegen achten ben ik dan ook weer helemaal het vrouwtje. ♪♪ Said we’ve got hope in our hearts, yes, we’ve got hope in our lives ♪♪
.

Sterrenstof en suikergoed

Sterrenstof

Ons mam zit tot over haar oren in de rotzooi. Volgens de door haar gestelde normen dan. Want als controlfreak zijnde, is ieder stofje dat om haar heen dwarrelt, er één teveel. En het is bepaald geen sterrenstof. Want momenteel vallen er niet alleen stofjes, maar zelfs hele brokken puin naar beneden. Nou ja, niet in haar woonkamer, ook niet in de keuken, en eigenlijk ruimen die bouwlui met die ontzettend grote, vieze schoenen ook wel alles netjes op aan het eind van de dag, maar toch ….

Het appartementencomplex waarin ons mam woont, had last van betonrot. Dan komt er een legertje tot de tanden toe bewapende bouwmannetjes en die maken het zaakje weer helemaal fris en fruitig. Kijk, daar is ons mam wel voor te porren: een nieuwe, in perfecte staat, spic en span zijnde woonomgeving. Waar ze echter bepaald niet dol op is zijn de mannetjes die erbij horen. Met hun brutale koffievragende oogopslag, de beruchte, grote schoenen waar áltijd viezigheid aan kleeft en bovenal de rumoerige exercities waarmee ze al beginnen als de dag haar ogen nog niet helemaal open heeft. Boink. Boink. In het schemerdonker in een seniorenflat. En dat ook nog eens in een maand die de annalen ingaat als de natste maand ooit. Dan moet je wel héél stevig in je steunkousen staan, om niet ten onder te gaan.

Gelukkig kon ze dagelijks haar toevlucht nemen tot de alternatieve hulplijn. Man en ik hebben de eindeloze stroom bouwverhalen geduldig tot ons genomen. Beter nu luisteren, dan later moeten fluisteren, was het devies waar we elkaar herhaaldelijk aan moesten herinneren.
Maar gisteren was de dag dat, volgens een schrijven van de uitvoerder, alle stofoverlast tot het verleden behoorde. De zaak was zo goed als geklaard, dus worden Man en ik met gepaste spoed ontboden. Niet alleen om het plakband (bedoeld om de overload aan stof buiten te houden) van de ventilatieroosters te verwijderen, maar tevens om de voorraad (klei)aardappelen, biologische appeltjes en de onmisbare savooiekool aan te vullen.

Sterrenstof en suikergoed

Dus reizen we af naar West-Brabant. Met bovengenoemde proviand. Plus verse walnoten, medjool dadels en een grote pan kerrieragout. Want hoewel ze nog dolgraag haar eigen potje kookt, vindt ons mam een maaltijd voor drie bereiden toch echt een brug te ver op haar leeftijd. Bovendien: met die moderne eetgewoontes van ons, is het niet gauw goed. Denkt ze. Ik vind het prima zo.

Nadat alle karweitjes geklaard zijn, rommelt ze nog wat verder in haar keukentje. Want ja, zo met z’n drieën in huis, wordt het toch al snel redelijk chaotisch. Denkt ze.
Ik laat haar even zichzelf zijn. Intussen zoeken mijn ogen naar pap, die in zijn zilveren lijstje prominent vooraan op de tv-kast staat. Zoals altijd zeg ik in gedachten: hoi pap. Hoe is het daar? En zoals altijd bijt ik mijn onderlip kapot. Mijn blik dwaalt verder. Naar de almaar uitdijende Yucca die zo vreselijk in de weg staat; de geborduurde schilderijtjes aan de wand, de muziekcassettes en de CD’tjes keurig op een rij. Het voelt allemaal zo vertrouwd, het is de omgeving waarin ik ben opgegroeid. Ik hoor een zucht ontsnappen. Zelfs na 15 jaar blijft het moeilijk mijn ouderlijk huis te bezoeken met daarin die ene, lege stoel.

Om half vijf maakt mam plaats op de salontafel en verschijnt de wijn. Plus de sjippies. Aangevuld met nootjes. Niet dat ze het ooit zegt, maar in haar ogen lees ik hoe gezellig ze dit vindt. Borrelen, in gezelschap van maar liefst twee paar oren die naar haar luisteren. Ze gaat er eens goed voor zitten.

Dat buurman zijn huis niet verkocht krijgt, dat de verzekeringspremie verhoogd is en ze nu ook geen adviseur meer heeft, dat ze de nieuwe Bonuskaart van Appie per post heeft gehad, maar niet begrijpt wat ze bedoelen met activeren, of wij ook gezien hebben dat het stel in de laatste aflevering van 2 voor 12 zo vreselijk veel moest opzoeken en uiteindelijk toch wonnen en dat ze geen horror-winter wil, zoals de krant voorspelt, want hoe moet het dan met haar boodschapjes? Ze moet toch eten?

Borreltijd

Waarmee we komen op het voor haar meest belangrijke moment van de dag: de avondmaaltijd. Want o, o, wat vindt ons mam het nog leutig om haar potje te koken. Geen voedselzandlopers of andere nieuwerwetse fratsen, maar degelijke Hollandsche Kost. Aardappeltjes, spruitjes, een slavinkje. Aardappeltjes, rode kool, een karbonaadje. Sinaasappelsap. Appels. Volkorenbrood. That kind of stuff.

Opgetogen vertelt ze dat ze afgelopen week voor de eerste keer dit jaar boerenkool heeft gegeten. Lekker dat-ie was! Allemaal flauwekul dat er eerst vorst overheen moet zijn geweest. Volgende week wil ze zuurkool maken. En willen wij dan volgende keer weer eens mosselen meenemen? Het is ook al heel lang geleden dat we uit eten geweest zijn en o ja, die biologische appeltjes uit Zeeland zijn écht veel lekkerder dan die uit de supermarkt. Mam geniet zichtbaar van al die (w)etenswaardigheden.

Suikergoed

Ondertussen drukt ze me haar Ipad in handen. Of ik haar even kan helpen met Candy Crush. Zó verschrikkelijk moeilijk. Er blijft altijd wel één snoepje staan. Ze nipt tevreden van haar Chardonnay en kijkt me uitdagend aan. “Toe dan, level 65, help eens even, jij weet wel hoe dat moet”. Vertwijfeld staar ik naar de bonte verzameling snoepjes. “Lukt ’t niet?”, roept ze na tien zetten, met een zweem van triomf in haar stem. Na drie spelletjes geef ik de pijp aan Maarten. De chocolade vliegt me om de oren.

“Dan nemen we nog maar een wijntje”, zegt mam, terwijl ze het schaaltje met nootjes nog een keer bijvult. Hiermee stappen we naadloos over van de virtuele wereld naar het Echte Leven. In gezelschap van elkaar, een alcoholische versnapering onder handbereik en het één en ander te knabbelen, is het IRL zo slecht nog niet. Zonder die onnozele snoepkraam met zijn wanstaltige chocolade, zonder Bob de Bouwers met hun krijsende radio’s, maar vooral – niet geheel onbelangrijk voor het broodnodige gevoel van welbehagen – zonder die ellendig neerdalende stofdeeltjes. Waarvan akte. Met de groeten van ons mam.

Over wachtkamers en sinaasappels

Wachtkamers

Doktoren en wachtkamers. Twee zaken waar ons mam een bloedhekel aan heeft. Twee keer per jaar is er zo’n dag, waarop beide zaken gecombineerd worden: de halfjaarlijkse controle bij verschillende specialisten. Haar anders zo montere humeur zakt op die dagen tot onder het nulpunt. Ze houdt niet van autoritaire, witgejaste jongens en meisjes die haar met een doordringende blik aankijken en hun verdict uitspreken. Uw staar is toegenomen; uw botdichtheid afgenomen. Hb-gehalte te laag, bloeddruk te hoog. Mam hoort het allemaal liever niet. Ze wil gewoon haar ding doen, zonder al die medische flauwekul. Die relatief kleine ongemakjes: ach, wat doet het ertoe, als het maar niet gaat regenen, zodat haar wasje vanavond lekker droog is. Zo is mam.

Maar goed, vandaag moet de hobbel dokter-wachten-dokter-wachten toch weer worden genomen. Na alle beslommeringen gaat ze voor een aantal dagen mee, om bij ons het weekend door te brengen. Nog maar net naast me in de auto, begint ze vol overtuiging te orakelen dat ze zich – ook al raadt de dokter het nog zo sterk aan – nog niet laat opereren aan haar ogen. Ik stel haar gerust. Hoeft ook niet, mam, jij bent de baas. Jij bepaalt wat er gebeurt. Opgelucht vertelt ze verder over buurman die nog elke dag zijn rondje van 80 km fietst. Een energieke buurt daar!

Eenmaal bij de poli oogheelkunde blijkt haar nervositeit overbodig te zijn geweest. Alleen de oogboldruk wordt gemeten. Die is prima. Geen verder onderzoek? Nee, mevrouw, ik zie u over zeven maanden weer. Op naar route 15. Ook daar gaat alles heel voorspoedig. In minder dan een uur, staan we weer buiten.

Naar de opticien dan maar. Mam wil een nieuw montuur, want met het huidige kan ze geen dag verder leven. Het zakt af, doet pijn en ze lijkt wel een oud wijf er mee. Het zijn haar woorden. Ter plekke zijn ze de wet van Murphy aan het heruitvinden. Niets klopt, alles krijgt een merkwaardige wending. Wij vluchten al snel van deze plek des onheils en gaan op zoek naar een collega die de zaken beter op orde heeft.

Orangerie Mattemburgh

Om drie uur zijn alle zaken afgehandeld. Tijd om de kelen te smeren. Afgelopen week las ik op internet over de orangerie Mattemburgh. Al heel vaak voorbij gereden en nog nooit binnen geweest. Op weg naar Zeeland komen we er toch langs. Mam vindt het prima. Theetje drinken, wijntje nippen op locatie blijft haar favoriete bezigheid. Zoals vroeger, met pap.

Maar eerst bewonderen we de sinaasappelboompjes in de orangerie. Stoere mannen zijn met vervaarlijk uitziende snoeischaren bezig om alle bomen in model te brengen. Knap handwerk! Vanuit de serre, waar het aangenaam warm is, aanschouwen we de werkzaamheden. Mam geniet van het uitzicht en haar groene theetje.

Omstreeks zes uur arriveren we in winderig Zeeland. “Het is hier altijd kouder dan bij ons”, zegt mam rillerig. “En het waait hier altijd zo hard”. Maar gelukkig heeft ze ook positief nieuws: “de was wordt er wel lekker fris door”.

 
Menu v/d dag: stamppotje veldsla met spekjes.

Onverteerbaar

Dat valt nog vies tegen. Het bedenken van licht verteerbare hapjes die toch ook nog smakelijk zijn. Want ja, met ons mam en haar rommelende buikje in huis, blijft het nog steeds oppassen geblazen. Veel maaltijden blijken nog steeds onverteerbaar. Het strenge BRAT-dieet is intussen verleden tijd, maar om nu meteen aan de hachee of spicy maaltijden te beginnen, is wel heul erg de kat op het spek binden. Gestoofde witlof dus, worteltjes, gestoomd visje, witte bammetjes met rookvlees, roereitjes. Geen sinaasappeltjes, geen koffie en alleen het denken aan haar favoriete glaasje triple doet haar nog steeds gruwen.

Man en ik lijden op deze manier gewoon een beetje mee. Geen van beide zijn we liefhebbers van de Hollandsche Kost en om nu twee soorten maaltijden te gaan bereiden, vind ik dan weer niet bepaald het schoolvoorbeeld van consuminderen. Het blijft dus nog even afzien op culinair gebied in huize Eetplezier. Met als enige doel het bevorderen van een gezond milieu voor moedertjes darmflora.

Onverteerbaar

Gisteren wilde ze toch wel graag rode kool met appeltjes proberen. Zin in, zei ze. En omdat het Voedingscentrum propagandeert te eten waar je zin in hebt na buikklachten, dacht ik daarin een kundige, professionele bondgenoot te vinden. Helaas, eens te meer bleek dat je niemand meer kunt vertrouwen.

De kool begon midden in de nacht te blazen dat hij eruit wilde. Van dergelijke nachtelijke avontuurtjes knap je niet op. Vandaag weer twee stapjes terug in het herstelproces. Lusteloos daagt ze Steven uit voor het vijftiende potje rummikub, leest de digitale krant nog een keer en weet nu voorgoed wat het woord “bankhangen” inhoudt. Was ze vroeger steevast als eerste uit de veren en reeds begonnen om de vaatwasser uit te ruimen, nu moet ik haar wakker schudden. Waarna ze moeizaam de badkamer opzoekt. Haar poeder- en rougekwast blijven onaangeraakt.

Afgezien van een klein aantal migraine-aanvallen en vier botbreuken heeft ons mam weinig lichamelijk ongemak gekend. En vermoeidheid? Met haar gezegde “Ik weet niet wat moe zijn is”, wuifde ze onze bezorgdheid laconiek weg, als Man en ik na een vermoeiend tripje voorzichtig vroegen of ze misschien niet even wilde zitten. Griep was een of andere gekke ziekte die andere mensen trof; mensen die niet elke morgen twee glazen vers geperst sinaasappelsap dronken en niet iedere dag verse groenten aten.

Intussen weet ze beter. Na elf dagen kwakkelen is ze voor heel even haar houvast kwijt. Gezondheid dwing je niet af. Die komt je toe. Of laat je in de steek. Zo gaat dat in het Echte Leven. Voor de meeste mensen iets heel logisch. Voor mijn übergezonde mam echter een uiterst onverteerbare zaak. Naar alle waarschijnlijkheid zal ze nog vele jaren napraten over die paar geniepige griepvirussen die haar begin 2013 zo kwalijk wisten te bespringen. En laat mij dat nu juist stiekem hopen: dat ze nog lange tijd aan die paar weken ziek-zijn weet te memoreren.

Ons mam blieft even geen Westmalle

Brat dieet

Agozzie, wat klonk ons mam ziekjes toen ze afgelopen donderdag belde. Oh née, ze kon even niet denken aan haar dagelijkse Westmalle. Tuurlijk wilde ze eerst nog flink zijn en thuisblijven, maar gisterenmiddag was ik blij dat ze ermee instemde haar huisje te verlaten en mee te gaan naar Zeeland. Want hoewel ik in direct contact stond met haar huisarts, die mij kon geruststellen dat het echt aan alle kanten leek op een “gewone buikgriep”, sliep ik al die nachten niet echt lekker.

Niet eten, niet genoeg drinken, lusteloos, heftige buikkrampen, het kan al gauw funest zijn voor iemand van 82. Vrijdag, zaterdag, zondag zijn we heen en weer gereden; wat zo’n drie kwartier per rit inhoudt. Liefst wilde ik haar meteen in een dekentje wikkelen en meenemen, maar ons mam heeft de regie nog stevig in handen; als zij zegt “Nee” wordt het zo gauw geen “Ja”.

Net toen de eerste sneeuwbuien het land binnentrokken, gaf ze zich over. Uitgeput gaf ze te kennen  toch wel opgehaald te willen worden. Haar angst voor de lange  rit zonder een toilet voorhanden, wist ik drie kwartier te onderdrukken door koetjes- en kalfjesgebabbel met haar te voeren. Gelukkig wist ze het te redden zonder sanitaire stop.

Aangekomen is ze direct onder haar extra gevulde dekbedje geschoven. Slapen wilde ze, lang slapen. Ik beloofde haar dat dat kon nu ze bij me was. Ik lette wel op haar drinkschema. Want dat was mijn eerste zorg: drinken, drinken, drinken. Haar  droge mond, diepliggende ogen en lusteloosheid verraadde al tekenen van uitdroging.

Speciaal voor de zieke werd er in huize Eetplezier ingezoomd op het BRAT-dieet: bananen-rijst-appel-toast, afgewisseld met vele glazen ORS. Nu – ruim 30 uur later – heeft dit zijn vruchten afgeworpen. Langzaamaan beginnen de praatjes terug te keren. De kleine, licht verteerbare hapjes zorgen nog wel voor veel darmbeweging, maar het meeste blijft gelukkig binnen.

Haar dagelijkse glas Westmalle triple echter, nee, dat blieft ze toch nog even niet.