Mijn wortels

Mijn wortels

Ik heb wat met het verleden. Mijn wortels zoals je dat zo mooi noemt tegenwoordig. Herinneringen. Geuren. Smaken. Geluiden. Beelden. Emoties. Dat “iets” verbindt ons met het universum waarin we leven. Het is het waard om je in de toekomst stevig aan vast te houden. Het dient als anker, zodat wij ons niet teveel van links naar rechts laten slingeren. Niet met alle winden meewaaien, niet stuurloos ten onder gaan. Wij, de van a naar b hollende Mensch, heeft houvast nodig, omdat wij kennelijk niet altijd in staat zijn onze zaakjes op de rails te houden. Heb ik helemaal zelf bedacht. En het bevalt me best.

Tot zover het filosofische element. Waar was ik? O ja: mensen die, net als ik, óók hun verleden koesteren heb ik lief. Es bijvoorbeeld, zij heeft haar roots een duidelijke plek gegeven in het dagelijks leven; de weerklank ervan is te vinden in haar eet- en schrijfstijl. No nonsense weeshuismaaltijden, doorspekt met een altoos gulle lach. 

En Paul, die graag mijmert over de gerechten van zijn moeder tijdens zijn kinderjaren in België. Karin op en top moeder met liefde voor haar kindjes die haar dag na dag vertederen en ontroeren. Ook zij maakt graag een uitstapje naar het verleden.
Dan is daar nog Els, die niet alleen enige tijd geleden schreef over haar Schoolmelkdrama (herkenning, herkenning) maar tevens repte over de befaamde kerriesoep die voor haar het toppunt van de smaak van vroeger betekende.

Het recept van haar kerriesoep, inclusief rijst en rozijntjes, deed mij het water in de mond lopen. Ik moest deze maken. Mij herinnerde het vooral aan een regenachtige zomerdag aan de waterkant, inmiddels een halve eeuw geleden, toen ik samen met mijn ouders een eetcafé bezocht om onze verkleumde ledematen enige warmte te verschaffen. In die tijd was dat een gebeurtenis van formaat: uit eten gaan. Als eerste kwam er een grote kom gele, dampende soep. Verwarmend, weldadig en toch pittig. Met rijst en rozijntjes als vulling.

Tot dan toe kende ik alleen nog maar de groentesoep en de tomatensoep van ons mam, maar vanaf die tijd is kerriesoep voor altijd deel van mijn systeem geworden. In tijden van nood hunker ik er naar. Of ik word zomaar, out of the blue, overvallen door golven weemoed. Dan komt er kerriesoep of in ieder geval een kerriegerecht op tafel. Als troost, als houvast. Of als onwankelbaar baken in barre tijden.

Mijn wortels

Op die kalme zaterdag komt het allemaal bij elkaar. De gouden ploert schijnt voor het eerst sinds tijden. Op het programma staat een ritje naar Zundert. Niet ver daar vandaan ben ik opgegroeid in het rijke Roomse land. Met devote Mariabeeldjes in moderne pastelkleuren, achter het bed opgestelde wijwatervaatjes, moppen tappende pastoors, flessen kado gekregen Lourdeswater, waarin na enkele maanden de algen welig tierden en vooral véél Brabantse leut. Het is een bijzonder deel van het land. En dat is het.

Als ik in mijn moederland arriveer, voelt de atmosfeer direct zachter en lichter. De automobiel wordt ver buiten het dorp gestald, zodat we een mooi fietstochtje voor de boeg hebben. Nog maar net onderweg of we worden vriendelijk gegroet. En dat gaat maar door, alsof iedereen hier zorgeloos en blij door het leven huppelt. Mijn wortels.

Dat is in Zeeland wel even anders ….. Daar heeft de eeuwige zuidwestenwind diepe fronsen in het voorhoofd gebeiteld en trapt de eenzame fietser de adem uit zijn longen. Frivoliteiten als een ander groeten, is niet des Zeeuws. Hier wordt gewerkt, geworsteld en gestreden. We strijken neer op het terras Bij de Nonnen. Nu we reeds enkele keren in sappig dialect zijn aangesproken, beginnen we vanzelf mee te doen. Hedde worstebrôôdjes? Beetje domme vraag. Natuurlijk hebben ze die.

Nadat we gesmuld hebben van de wekelijkse traktatie uit onze kindertijd, vervolgen we onze tocht. We genieten met volle teugen van alles wat er om ons heen te zien en te horen is. Hooggehakte jongedames die ons luid kwetterend voorbij fietsen. Kwekerijen met eindeloze velden vol jonge struikjes. De deuropening van een verveloos café-biljart (ja echt, ze bestaan nog) waaruit de geur van verschraald bier ons tegemoet walmt. De Brabantse gastvrijheid omringt ons in al zijn omvang.

Terug in Zeeland

En ’s avonds thuis, waar de eeuwige Zeeuwse wind ons om de oren waait, is daar de kerriesoep. Bereid naar het recept van Els. Lepel na lepel glijdt naar binnen. Kalmerend. Troostend. Als een hand op je schouder. Man en ik sudderen nog wat na in onze weemoedige stemming en komen eensluidend tot de conclusie: het leven is écht goed in het Brabantse land. Want hoe mooi Zeeland ook is en hoe graag we er ook wonen, onze wortels liggen toch voor altijd daar. Daar, waar onze wieg heeft gestaan.

Gemarineerde tijgergarnalen met lamsoren

Gemarineerde tijgergarnalen met lamsoren

Het heeft niet zo veel nadere uitleg nodig, toch? Deze gemarineerde tijgergarnalen met lamsoren is bijna geen recept te noemen. Pasta koken. Lamsoren wokken. Garnalen marineren en bakken of grillen. Oké, de marinade dan: gehakt pepertje en twee fijngewreven knofjes, zout, olie, beetje limoen. Eventueel afblussen met een scheutje ouzo. Yammie!

Veel mensen van “boven de grote rivieren” kijken een beetje vreemd op bij het horen van deze naam. Krijgen associaties met levende wezens en suggereren dat mijn carnivorische trekjes wel heel bijzondere vormen gaan aannemen. Voor zeekraal geldt hetzelfde verhaal. 

Zowel lamsoren als zeekraal behoren tot de zgn. zeegroenten. Dat betekent dat het zout water nodig heeft om in leven te blijven. Het groeit daarom op zilte bodem bijvoorbeeld in kuststreken. In Nederland komen lamsoren uit Zeeland. Daar werd deze verfijnde groente lange tijd alleen in het wild geplukt. Tegenwoordig wordt het ook geteeld. Lamsoren zijn lange groene bladeren – soms een beetje grijzig- die de vorm hebben van een lamsoor. Ze smaken ziltig en passen daarom heel goed bij visgerechten. Lamsoor wordt ook wel zeeaster of zulte genoemd.

Voor mij zijn beide groenten net zo normaal als voor elk ander het groene gras in zijn voortuintje. Ik weet niet beter of pap startte met enige regelmaat ons Dafje, bracht mam en mij naar een plaats waar de schorren op dat moment droog lagen, alwaar hij zijn broekspijpen oprolde en gewapend met een afwasteiltje en aardappelschilmesje een avondmaaltje van de zilte groente voor zijn gezin bijeen sprokkelde. Het waren mooie tijden ….

Klassieke huzarensalade

Klassieke Huzarensalade

Zodra de weermannetjes van destijds de eerste warme dag van dat jaar aankondigde, spurtte mijn lieve pap naar de slager om een “stukske fricandeau”. Dat stukske fricandeau was een onontbeerlijk onderdeel van de klassieke huzarensalade die hij zo perfect wist te maken. Vol bewondering keek ik steevast toe hoe hij allereerst het vlees braadde, daarna de augurkjes, sjalotjes, friszure appel en aardappel in piepkleine blokjes sneed, fikse lepels mayo en mosterd toevoegde, om daarna het smeuïge mengsel in de koelkast lekker fris te laten worden. Afwerken kwam op het moment van aanvallen: sla, tomaatjes, augurkjes, uitjes en partjes hardgekookte ei erbij. Daarna werd het smullen in de warmte van de laatste zonnestralen van die dag. Het werd bijna een ritueel, ik kan me niet herinneren dat pap het ooit beu werd om voor ons deze huzarensalade ten uitvoer te brengen. Een juweeltje van huisvlijt.

Zelf ben ik meer een plannenmaker. In mijn hoofd gebeurt er van alles, zonder dat ik veel ten uitvoer breng. Totaal geen pretenties dus. Ik wil niets worden, ik wil niets zijn. Af en toe goochel ik een beetje met woorden, dat vind ik aardig om te doen. Mensen om me heen kennen me als de eeuwige dromer. En laat ik daar voorlopig ook maar geen verandering in brengen, het zou mijn geliefden in totale verwarring brengen. Hugo Claus omschreef het heel treffend. “Als ik de dag doorkom zonder catastrofes ben ik al erg blij. Dat is een vorm van geluk.” Helemaal mijn motto.

Klassieke huzarensalade

Toch durf ik mezelf voor ten minste één ding een lintje toe te eigenen: nl. het maken van een geslaagde huzarensalade. Ik heb tenslotte heel vaak mee kunnen kijken hoe het eigenlijk heurt volgens Escoffier. Da’s best belangrijk, want in een échte huzarensalade hoort geen rommel zoals doperwtjes of hamblokjes. De twijfelachtige salades die heden ten dage aangeboden worden in supermarkt of snackbar hebben helemaal niets gemeen met de traditionele versie waarin uitsluitend eenvoudige maar pure ingrediënten worden verwerkt en zelfgemaakte mayonaise.

Afgelopen dinsdag was het weer zover en ging ik zelf aan de slag met aardappelen, appeltjes, sjalotjes en augurkjes. Woensdag zou ik een hele dag doende zijn met zaken die geregeld moesten worden voor ons mam. Ik wist dat het een vermoeiende dagje zou worden en dat er na afloop weinig tijd en zin zou overblijven om te koken. Op zulke momenten komt zo’n huzarensalade als een geschenk uit de hemel. Bordje op schoot, wijntje erbij en fijn napraten.

Maar allereerst dat stukske fricandeau dus……..

Gebraden fricandeau

Postelein en de gruwelen erachter

Postelein

Postelein. Ik zal een jaar of zes geweest zijn, toen ik voor de eerste keer kennismaakte met deze groente. Ik schrijf anno 1962. Locatie: Wilhelmina Kinderziekenhuis te Utrecht *. Zorgverleners: hardvochtige, met gesteven kappen getooide nonnen. In mijn ergste nachtmerries durven ze nog wel eens op te doemen.

Zij hanteerden bijzonder merkwaardige denkbeelden, aangaande het beter maken van zieke kinderen. Tucht, discipline en een kille benadering zouden gezondheidsbevorderend werken. Gods strenge hand regeerde. En wie bij Zuster Francisca nog steeds denkt aan een onbaatzuchtig, liefdevol persoon, die kan ik voor altijd uit de droom helpen. Luister en huiver ….

Ik was uitgeput, slap, futloos. En niemand wist wat ik had. Had ik stiekem van de rode besjes gesnoept, verderop in de straat? Had ik een vergiftiging opgelopen door het herhaaldelijk likken aan de tube mayonaise? Was er op school een bijzondere, nog niet bekende ziekte opgedoken? Talloze heren in witte jassen bezochten mij, staken vreemde voorwerpen in mijn lijf en schudden daarna meewarig hun hoofd. Waarna ik richting Utrecht werd gestuurd.

Ruim een jaar mocht ik er logeren. Natuurlijk was er volop expertise in huis. Natuurlijk bleef men onverwijld doorzoeken naar de oorzaak van mijn ziekte. En natuurlijk ben ik er (achteraf) van overtuigd dat ik medisch gezien op de juiste plaats terecht was gekomen. Maar die zusters, die zusters ….
De creaties die uit de keuken kwamen, waren bepaald al niet bedoeld om de eetlust op te wekken van het jeugdige volkje. Brood met appelmoes. Gruttenpap. Macaroni met blokjes smac en zure tomaten. De eerwaarde zusters maakten alles nog erger dan het al was. Liet je iets staan, dan belandde het prakje op een warmwaterbord en werd je –  samen met het eten – neergezet in een apart kamertje. Met veel misbaar werd de deur achter je dicht gedaan en op slot gedraaid.

Mijn levenslange afkeer van melk kent tevens zijn oorsprong in genoemd hospitaal. Niet opdrinken was geen optie. Dus werd het kinderhoofdje achterover gedrukt, het neusje ferm dichtgeknepen en de beker melk aan de lippen gezet. Drínken zou je. Niet goedschiks, dan maar kwaadschiks. Nog zie ik de verbeten monden van de zusters voor me. Met de beste wil van de wereld kreeg ik de lauwe witte motor niet naar binnen, wat meermalen resulteerde in een vieze pyjama. Waarna de eerwaarde vrouwen zich weer konden uitleven op een hardhandige boenbeurt.

Postelein

Tot zover dan maar. Waarmee ik wilde zeggen: postelein paste tot voor kort in deze gruwelijke herinnering. Platgekookt en aangemaakt met een maïzenapapje. Glibberig. Zurig. Stroef in de mond. *yuk*. Toen de groente – als winterse variant – dan ook vorig jaar in mijn biologische groentepakket zat, heb ik eerst uitgebreid aandacht besteed om mijn afkeer ervan psycho-analytisch te elimineren. Ik was tenslotte geen kind meer. Er was niemand die me dwong. Alles was vrijblijvend. En als de smaak me na de eerste hap echt zou tegenstaan, kon ik altijd nog rap overschakelen op de boterham-met-gebakken-ei-modus. Toch?

De twijfel bleef. Maar rampen bleven uit. De keukenklok tikte gewoon verder. Het bestek werd pas neergelegd toen de borden leeg waren. En achteraf gezien bleek ik best lekker gegeten te hebben. De zurige, glibberige massa van weleer had ik weten om te toveren tot een stamppotje van rauwe postelein, met aardappelen en gebakken spekjes.
En vandaag was ik in een stoutmoedige bui; durfde zelfs het spek weg te laten en verving dit door geitenkaas. Ook goed te doen! Hiermee is mijn trauma ten aanzien van postelein voorgoed verdwenen. Hoera, ik verklaar mezelf beter!!!

* Het WKZ is momenteel een van de meest vooraanstaande ziekenhuizen in Nederland op het gebied van kindergeneeskunde. De Zusters van toen zijn vervangen door moderne, hoog opgeleide jongens en meisjes, die zich volledig inzetten om de zorg voor zieke kinderen zo optimaal mogelijk te laten verlopen. Met volop aandacht en begrip.

Postelein

Herfst in het hoofd

Herfst

En dan opeens is het kil. En te vroeg donker. Wordt het herfst in mijn hoofd. Mis ik de koele, witte wijntjes. Het buiten zijn, de geur van lavendel en rozemarijn. Pas gemaaid gras. Een zon die niet onder lijkt te gaan.

Dan opeens ontdek ik de eerste spruitjes. Zuurkool. Aankondigingen van kerstshows. Wil ik helemaal nog geen trui of warme sokken. Negeer ik stoïcijns mijn waterige neus. Mijn elk jaar kouder lijkende voeten.

Ik kan het niet tegenhouden. Elk jaar hetzelfde gevecht. En altijd wint de natuur. Moet ik toegeven aan mijn behoefte aan stamppotten met spek. Aan Soep. Kruidigheid. Gember. Kaneel. Oliebollen. Glühwein. Gepofte kastanjes.

Aan gezelligheid en waxinelichtjes van Verkade. Boudewijn de Groot en Adamo. Vlooienspel op het pluchen kleed. Een snorrende kachel met roze ruitjes. Drie wollen dekens en ijsbloemen op de ramen. Tikkende breinaalden. De Flinstones en de Comedy Capers. Nepchocolade muizen. Het zilveren engeltje dat zo haar best deed om elk jaar weer ongeschonden uit het vloeipapier tevoorschijn te komen.

Ik ben geen engel. Eigenlijk ben ik best een beetje veel een Echt Mens. Dat op dit moment het liefst de dekens over zich heen wil trekken. Om een winter lang onder te duiken in de geborgenheid van warme dromen en nostalgische herinneringen. En pas samen met de krokusjes te ontwaken als er een vrolijk Lenteliedje klinkt.

In de bonen

In de bonen

Lang geleden bezaten de Man en ik een moestuintje. En waren we dus met enige regelmaat in de bonen. Tijden veranderen en waar eens onze groenten zo welig tierden, verscheen een boel beton. Het is niet anders. Op herfstachtige dagen, als de weemoed over de velden hangt, denken wij nog wel eens terug aan de overvloedige oogst van dunne, gele boterboontjes. Of de mandenvol met Korona aardbeien, zo zoet alsof ze van nature gesuikerd waren. Ook om niet snel te vergeten waren de Thornless Evergreen bramen. We plukten en we plukten, maakten vele liters sap, roerden in soeppannen vol jam, totdat alles in huis, inclusief wijzelf, paars van kleur geworden was.

Voor de botermalse Meikoningin kom ik superlatieven tekort. Hoe heerlijk was dat, de haast vettige blaadjes sla in koud water te wassen, om ze daarna droog te slaan en te mengen met zelfgekweekte tomaatjes en komkommer. Gegeten met een pas gestoken, nieuw aardappeltje erbij geloofden wij op zulke momenten voor even weer dat God bestond. Op andere dagen waren er dan de piepjonge worteltjes (Amsterdamse bak), die ik combineerde met de suikererwtjes (oh, hoe therapeutisch was het tevoorschijn halen van deze groene pareltjes uit hun fluwelige schil). De courgettes die maar bleven groeien tot ze het formaat hadden van een stoere mannen-onderarm en wij niet meer wisten wat we er mee moesten.

De zomermaanden werden destijds dan ook gekenmerkt door schoffelen, oogsten, wassen en verwerken van al dat lekkers. Aangezien er overdag gewoon gewerkt moest worden, gebeurde het meeste werk in de avonduren, vaak waren we tot 11 uur bezig. Ik droom er soms nóg van.

Zoals gezegd: tijden veranderen. Het tuingereedschap ligt er verroest bij, maar nog steeds probeer ik smaakvolle groenten en fruit te pakken te krijgen. Dat lukt niet altijd. Gelukkig zijn er uitzonderingen. Een boertje annex campinghouder op Schouwen-Duiveland verkoopt – zoals hij het zelf noemt – kasbonen. Het houdt het midden tussen pronkbonen en sperziebonen. Deze smaken nog écht naar boon, niet naar gedroogd gras, niet naar onrijpe peulvruchten, nee, deze hebben een onvervalste bonensmaak. Jullie denken nu bij het zien van de foto: dikke bonen, bah! Normaliter is dat ook zo, want een dikke boon bevat vaak ook dikke, witte peulen.

Deze kasbonen niet, die zijn groen van binnen. En ze smaken zoals ze er uit zien: vlezig en toch heerlijk mals. Een boon die ik tien keer liever eet dan de gerimpelde haricot verts uit Kenia. Als ik ze dop, voel ik me weer een beetje grootgrondbezitter. Net als toen, zo’n 20 jaar geleden, toen geluk nog heel gewoon in een boontje zat.

Snijbonen