Het steunkousenimperium

Mam lijkt tevreden met dat been van haar. Ze kijkt in ieder geval allerminst bezorgd als ze haar kous naar beneden trekt en mij haar scheenbeen toont. “Valt best mee”, verduidelijkt ze voor de honderdste keer. Ook als ik haar afgelopen weken door de telefoon sprak, viel het telkens heel erg mee met dat wondje op haar been.

Maar als ze voor de feestdagen een weekje in mijn huis logeert, kan ik met de beste wil van de wereld niet blij worden van wat ik zie. Een dik onderbeen waar ik putjes in kan duwen, een roodomrande wond en een schilferende huid. Mijn huisapotheek is voor dit soort zaken absoluut ontoereikend, zoveel is me wel duidelijk.

Ik besluit iemand in te schakelen met verstand van zaken. Die brengt licht in de duisternis. Ik zie mam twijfelen aan vrouw’s kundigheid als zij de term “open been” durft uit te spreken. Hoe komt ze erbij? Heeft ze wel genoeg doorgeleerd om dit soort uitspraken te mogen lanceren? Mam heeft overduidelijk het woord “doemdenken” niet uitgevonden. De term “realistisch blijven” trouwens ook niet. Mam leeft zo in haar eigen universum, dat veelal gevuld wordt met een kraakheldere was, een schoon, leeg aanrecht en een fijn bordje avondeten. Dat getuigt van veel positivisme, maar kan ook behoorlijk hinderlijk zijn in situaties als deze.

Het meest verschrikkelijke woord der verschrikkingen valt: steunkous. Gevolgd door het op één na meest afgrijselijke begrip op deze aardbol. Thuiszorg. Ik zie mam prompt in de verdediging schieten. Kordaat recht ze haar rug. Ze gaat echt niet elke dag zitten wachten tot het de jongens of meisjes van de Thuiszorg bevalt om eens langs te komen om haar steunkousen aan- of uit te trekken. Met hoog opgetrokken wenkbrauwen kijkt ze me dreigend aan. Dat ik het niet durf te wagen om iets achter haar rug om te regelen. Om niet in een tenenkrommende oorlogszone te belanden, knik ik gedwee. Ik weet mijn plaats. Ik moet op zoek naar een alternatief, een hulpmiddel of zo.

Vol goede moed belanden we de dag erna in een winkel voor thuishulpmiddelen. Combi Comfort staat er in grote witte letters op de winkelruit. De suggestie wordt gewekt dat we vanaf nu in het Walhalla voor Welbehagen terecht zijn gekomen. Behaaglijk wentelen in zachte, driedubbeldikke Texelse schapenvachten. Diep-intense massages van kruin tot hiel die je doen wegzinken in een extreme relaxstand. Vibrerende voetzoolkussentjes. Infrarode warmte op kouwelijke schouders. Dat soort dingen.

Een dame die erg haar best doet er alive and kickin’ uit te zien, brengt mam terug in de werkelijkheid. Vastberaden orakelt ze dat de oorzaak van het probleem is dat de bloedvaten worden afgekneld door een verkeerde houding van mam. Ze zou wat meer achterover moeten leunen. Ze heeft er de leeftijd voor om heerlijk onderuit te zitten met een boekje of een handwerkje. Schielijk kijk ik om me heen en ontwaar al spoedig de zogenaamde relaxfauteuils. Commercie alom, óók in de wereld van de medische hulpmiddelen is de geldhonger toegeslagen. Intussen begint mam steeds vaker naar de deur te gluren. Met enige haast verlaten we het pand.

Comfort blijkt het toverwoord binnen onze moderne, vergrijsde samenleving. Winkel twee heeft namelijk Comfort & More op de gevel staan. Een vriendelijke verkoopmeneer heeft duidelijk minder commerciële belangen en meer empathische talenten dan zijn vrouwelijke collega. “U gaat dit vast leren”, zegt de man bemoedigend tegen mam, terwijl hij haar een soort van reuzenschaar demonstreert. Kijk, een manchet maken, over de lepels schuiven, zaakje omdraaien, voet erin en trekken maar. Kind kan de was doen. Mam knikt, hoewel ik overduidelijk zie dat ze liever met aangenamere zaken bezig is.

Nu ze tijdelijk bij mij onderdak heeft, kan ze gaan oefenen met de nieuw verworven steunkous en de reuzenschaar. Aan. Uit. Aan. Uit. Alles wordt in het werk gesteld om de thuiszorg buiten de deur te houden. Is dat goed? Onafhankelijkheid is een groot goed en persoonlijk denk ik dat een mens veel zelfredzamer is dan hij/zij in eerste instantie denkt. Van de andere kant: soms moet je ook durven toegeven aan de allereerste tekenen van je eigen aftakeling. Na achtentachtig jaar amper pijn en ongemak te hebben gekend, waardoor je jezelf altijd picobello hebt weten te redden, mag je best een handje van derden accepteren. Dat is een proces en dat begrijp ik maar al te goed. Ik vind het mijn taak om mam hierop voor te bereiden.

Intussen blijkt mam een taaie doorzetter. Steunkous aan. Steunkous uit. Aan. Uit. Het gaat steeds beter. Als het in één keer lukt, kijkt ze blijmoedig naar de gladde kous om haar been. Precies zoals ik haar ken. Gauw tevreden en altijd opgewekt. Dat G en ik ondertussen koortsachtig dromen over vakanties op tropische eilanden met azuurblauwe waters, wuivende palmbomen en uitnodigende ligstoelen, laat ik maar even buiten beschouwing. Alles voor het goede doel! Alles voor mam!

Bron illustratie: Pluisbaard.nl

print

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Login with Facebook

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.