Had ik maar

dat ze de tijd verknipte
tot hapklare brokken
kon ik in haar verre ogen zien

als vanouds
stonden haar schoenen
achterwaarts ingeparkeerd

het zwarte raam bood
onveranderd uitzicht; nooit verder
dan de hongerige overkant

bevroren schouder, beweerde iemand
maar alles leek van ijs in haar

hoe oude botten konden rammelen
hoe stevig ze moest slikken
dat wist ik toen nog niet

© Nell Nijssen

Dighter, literair tijdschrift, 2008, nr. 1 & 2

Ding an sich

wij snuffelen aan materie

horen over levenloosheid
waarvan wij niet weten

massa getooid met roze bril
sluit zich in
een natuur vol klemmen

straling golft over
warmte broeit onder rimpels
van spijt

snelheid is de verandering
in tijd en plaats

daarna
ontdekken wij

© Nell Nijssen

Dighter, literair tijdschrift, 2008, nr. 1 & 2

In vogelvlucht

De liefde is door mij gemaakt.
Ik broedde er behoedzaam op.
Uitgekomen. Het oude nest niet langer nodig.

Ik heb ons vleugels aangebonden.
Een lange vlucht, wat moeizaam soms,
maar toch de sterren uit de lucht geplukt.

Ik land pas als de zomer over is. Andere
plaats, dezelfde jij. Met tijd in overvloed
om in elkaar te overwinteren.

© Nell Nijssen

Dighter, literair tijdschrift, 2008, nr. 1 & 2

Saeftinghe

Wij duiken in je uitgestrektheid, in resterende land-
geheimen van deze pleisterplaats, wij vullen ons
met vergezichten uit een zanderig verleden.

Waar water schuurt, verloren loopt op schorren,
langs geulen die ontheemd een haven zoeken,
als babyhandjes graaiend naar een moederborst.

Nooit zal verdronken echt verdwenen zijn.
Kopje onder, lijkt het, maar tegelijk zo
glinsterend van ongerepte maagd’lijkheid.

We laven ons aan lepelblad, aan vogel-
rust en meer van dat soort moois. We zwijgen,
zien hoe het kerend tij zich in je armen vlijt

opdat het zilte nat jou vruchtbaar kust.

© Nell Nijssen

Dicht in de buurt Top 100
Uitg: Dagblad Trouw
(Amsterdam, febr. 2010)

Rechte Rug

Toen ik nog jong en recht van lijf en leden was
en jij behoorde tot de ongewervelden van die tijd
beslisten de vele vieze glazen om ons heen

samen te blijven om toch in ieder geval de afwas
tot een zichtbare bezigheid te maken, welke
in tweevoud en in opperste staat van wellust

nooit een einde kende. Hoe wij dachten
met één hand de liefde te kunnen lezen,
terwijl de moeders de stofnesten achter
onze onopgemaakte bedden vandaan krabden

en wij in hun ogen zagen dat ze liever niet,
of eigenlijk ook weer wel, in onze schoenen
wilden staan (die dan wel eerst gepoetst
moesten zijn). Want de liefde, de liefde,

daar draaide het toch allemaal om.

We knoopten de ochtend aan de avond,
vlochten een hongerig verbond en dronken
maandenlang van het net ontwaakte leven.

Pas toen ik de wijn door jouw open handen
liet glijden, hervonden de dagen hun namen
en voor de allereerste keer vloekte ik

op jouw strakgespannen ruggengraat.

© Nell Nijssen

Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift, literair tijdschrift met initiatief
Uitg: Guy Commerman
(Antwerpen, 28e jaargang, nr. 108, sept. 2010)

 

Uitgevlogen

met de strijkplank het gras maaien
terwijl een toilettas uitpuilt
en wegfietst bestemming onbekend

een stofzuiger – alleen het woord al –
schildert nevelsliertjes om mijn hoofd
een lichtkrans van dode bloempotten
die zich een weg baant door de zwaartekracht

inmiddels is de vogelkooi leeg gewaaid
en wie biedt er op een broodmes
dat niet langer meer mag smeren

ik kartel punten aan jouw fluitconcert
en vlij me buiten
het domein van mijn gezichtsveld

dromende bomen eten hapjes uit mijn dag
ik vaar van hier tot aan het hek

en terug

© Nell Nijssen

(nominatie Arnhems Lezersbal 2009)